VG2 Ned(o)-Eng(c)


RECHT EN LEVENSBESCHOUWING (Oude Spelling)
Paul ScholtenGepubliceerd in Synthese, 1915, p. 1 e.v. Eveneens opgenomen in de bundel Beschouwingen over Recht, 1924. Gebruik als verwijsbron de heruitgave in Verzamelde Geschriften, Volume 1 (1949, no 2, 120-162). Vul verwijzingen naar pagina’s aan met (paulscholten.eu+bloknummer).{120}
LAW AND PHILOSOPHY OF LIFE (In Progress, do not quote, still needs a language check by native speaker)
Paul ScholtenAdapted, translated and provided with explanatory notes by Liesbeth Huppes-Cluysenaer Forword by translator
The essay is published in Synthese (1915, p. 1 ff); in Beschouwingen over Recht (Reflections on Law) 1924 1-61) and included in Verzamelde Geschriften (Collected Papers), Volume 1 (1949, no 2, 120-162).
The numbers in parentheses in the text refer to the page numbers of the publication in the Verzamelde Geschriften The translation is based on a reedition of the original text, of which the language is modernized and adapted in view of the English translation. The reedition of the Dutch version and the English translation will be published in DPSP Annual 2022. The text is divided into blocks to make it possible to compare the original text with the modernized edition and the English translation. This comparison can be viewed in Side-by-Sides (VG Zij aan Zij) on the Paul Scholten website.
The endnotes are made primarily by the editor/translator. If a note is made by Scholten, this is indicated in the note.
Inhoud
Table of contents
§ 1. Recht en wet. § 1. Law and codified law
§ 2. Wet en feiten. § 2. Codified law and facts
§ 3. Sociologische rechtsbeschouwing. § 3. Sociological view of law
§ 4. Rechtsvinding. Ideëele factoren. § 4. Finding law, ideal factors
§ 5. Rechtsvinding. Reëele gegevens. § 5. Finding law, real data
§ 6. Recht en levensbeschouwing. § 6. Law and philosophy of life

1

§ 1 Recht en wet.

   De oude waan, dat alle recht in de wet te vinden is, dat recht en wet synoniem zijn, ligt verbroken.
   Het leek zoo eenvoudig en zoo afdoende. Wat recht is, stelt de wetgever vast. Men kan er over twisten, hoe hij aan de regels komt, die hij verkondigt, of hij bij dien arbeid ethische normen volgt of enkel uitdrukking geeft aan wat hem door zekere machtsverhoudingen wordt opgelegd. Men kan van meening verschillen, of de aan de wetgeving deelnemende personen enkel neerschrijven, wat hun door de belangen hunner committenten wordt gedicteerd, of het hunne willekeur is, die over aanvaarding of verwerping, van een rechtsregel beslist, dan wel of zij slechts pogen te grijpen, wat hoogere regelen hun bevelen, — één ding scheen vast te staan, wat recht zal zijn, wordt enkel door hen uitgemaakt. Eerst de stempeling door den wetgever maakt regel tot recht, “positief recht”, zeide men vaak — naar de meening der meesten ten overvloede, alle recht was immers positief. Ter wille der oude traditie, die altijd wet en gewoonte als bronnen van recht had genoemd, werd ook aan deze een plaatsje in de leer der rechtsbronnen toegewezen. Maar met die enkele vermelding meende men meest genoeg gedaan te hebben, beslissingen van rechtsgeschillen op grond der gewoonte bleven zeldzaam, en de wetgever toonde voldoende zijn suprematie door de gewoonte enkel als rechtsbron te erkennen, indien de wet er naar verwijst. Wel waren er ten allen tijde, die aan die suprematie twijfelden, die bescheiden bedenkingen in het midden brachten of althans een enkele voorzichtige beperking van de almacht van den wetgever verdedigden — voor de groote meerderheid bleef zij onaantastbare overtuiging.

1

§ 1 Law and codified law

   The old notion that all law can be found in codified laws and that law and codified law are synonymous is today rejected.
   It seemed so simple and obvious. The legislator determines what is law. One can argue about how he arrives at the rules he proclaims and whether he follows ethical standards or merely expresses what the existing power relations entail. Opinions may also differ as to whether those who deal with legislation merely write down what is in the interests of their principals, and whether it is the arbitrariness of those principals that determines whether a rule of law is issued or their attempt to formulate the commands of a law of higher order. It seemed without doubt though that only those who contribute to legislation determine what the law will be . Only the legislator makes a rule into a legal rule: ‘positive law’ was often said, but according to most people this was not necessary, because all law was positive after all. In accordance with the old tradition, in which law and custom always had been designated as sources of law, custom was still given a place in the doctrine of legal sources. But that was usually the only mention; decisions of legal disputes on the basis of custom remained rare. The legislature showed its supremacy by recognizing the custom as a source of law only when the law refers to it. However, there were always people who doubted that supremacy. They raised modest reservations or defended a single tentative limitation of the legislature’s omnipotence. The vast majority, however, remained convinced of the legislature’s dominating position.

2

   Een wetgeving, die trouwens in de eerste plaats de wetgeving zelf beheerschte en zoo omgekeerd uit die wetgeving weder nieuw voedsel zoog. Aan de bepaling dat de gewoonte alleen recht geeft, indien de wet er naar verwijst, herinnerden wij al. Ligt niet aan ons denkbeeld van codificatie, het samenbrengen van de regels omtrent een bepaalde stof in één alles omvattend wetboek dezelfde gedachte ten grondslag? Het burgerlijk wetboek zal al de regels omtrent de burgerrechtelijke verhoudingen bevatten, het wetboek van koophandel al de handelsrechtelijke. Doel van zulk een codificatie was niet alleen om een vastere omlijning van bestaande rechtsregels te geven, niet enkel om éénheid van recht, vooral ook om zekerheid te scheppen, wat in zich zou sluiten, dat aan iederen regel, niet in het wetboek gesanctioneerd, bindende kracht moest worden ontzegd. Is het niet uitdrukkelijk uitgesproken in onze wet{121} houdende algemeene bepalingen van wetgeving, dat de rechter, die beweren zou, dat hij eenig geschil niet zou kunnen beslissen op grond van “stilzwijgen, duisterheid of onvolledigheid der wet”, zich aan rechtsweigering zou schuldig maken, dat dit een “voorwendsel” zou zijn?

2

   The legislation in the first place regulated the legislation itself and thus also created new work for the legislator. We have already referred to the provision that custom only counts as law when codified law refers to it. Our conception of codification, that is, the idea that all rules pertaining to a particular subject should be brought together in one comprehensive code of law, was based on this same idea. The Civil Code had to contain all the rules on civil-law relationships, the Commercial Code on commercial law. Such codification was not only intended to give a firmer definition to the existing legal rules, i.e., to create unity of law, but above all to create legal certainty. For the sake of this legal certainty, any rule that was not sanctioned by the code had to be denied binding force. The General Provisions for Legislation Act 1 expressly states that the judge, who claims that he cannot give a decision on a particular dispute because of “silence, obscurity or incompleteness of the law”, is guilty of denial of justice and that his criticism of the law is only a “pretext”.

3

Ligt daarin niet, dat de wet voor ieder rechtsgeschil de oplossing klaar heeft? Is eindelijk het geheele instituut van de cassatie niet op dezelfde basis opgetrokken? De cassatie, die ten doel heeft eenheid te krijgen in de jurisprudentie over rechtsvragen, maar die een vernietiging van beslissingen van den lageren rechter door den Hoogen Raad enkel toelaat bij schending der wet. Een regel, die alleen verklaarbaar is, indien ieder rechtsgeschil tot een vraag van wetstoepassing is te herleiden. Deze opsomming zou voortgezet kunnen worden; ik hoop echter, dat dit niet noodig is om te doen zien, dat de overtuiging, die wet en recht identificeerde, ook was die van onzen wetgever, gelijk zij die was van vele andere wetgevers van vroeger en later tijd.
   Men begrijpt den invloed, die van deze formuleering der gedachte door de wet zelve uitging. Alle recht is uit de wet te putten. De wet bevat ook bepalingen over zich zelve, de eerste daarvan was, dàt alle recht uit de wet is af te leiden. Wat wil men nog meer? Maar evenzeer is duidelijk, dat wie eenmaal aan de waarheid der uitspraak twijfelt, door de wet niet van haar juistheid wordt overtuigd. En die twijfel is in de laatste jaren alom gerezen, het recht zelf van de wet wordt een probleem. Het eerste punt, waaromtrent men tot andere inzichten kwam, was juist dat van de opslorping van het geheele recht door de wet. Overal drong de meening door, dat er recht is naast de wet, dat de wet niet is zonder hiaten, niet “luckenlos”, gelijk de Duitschers het heetten.

3

This means that the law proposes to contain the solution to every legal dispute. This view also underlies the institution of cassation. Cassation aims to create unity in case law on questions of law, but only allows the Supreme Court to annul the decisions of a lower court in the event of a violation of codified law. The limitation to cases of violation of the codified law only makes sense if one assumes that every legal dispute can be traced back to a question of application of codified law. More examples could be mentioned. However, I hope this is not necessary to show that the belief that codified law and law are identical was endorsed by our legislature, as it was by many other legislators in early and more recent times.
   By formulating the view that all law can be drawn from codified law as a legal provision, it gained great influence. What more could one want than that codified law should also contain provisions about itself, and that the first of these is that all law should be deduced from codified law. At the same time, however, anyone who doubts the truth of the statement that all law is deducible from codified law will not be convinced by codified law of its correctness. In recent years, precisely this doubt has arisen and the relation between law and codified law has become a problem. The first point about which people came to a different view was the very fact of the absorption of the whole law by codified law. Everywhere the opinion pervaded that there is law next to codified law, that codified law is not without gaps, not “lückenlos”, as the Germans say.

4

   Het begon met een beschouwing van de verhouding van rechter en wet. De langzame gang der wetgeving drong tot meerdere vrijheid voor den rechter. Maar de vraag, in hoeverre deze hem veroorloofd was, bracht tot nadere bezinning over zijn taak. De rechter heeft de wet toe te passen, daarover was en is men het eens. Maar hoever gaat die verplichting, is dat zijn eenige taak en wat is dat eigenlijk “toepassen van de wet”? Tot op het fijne betoog van Oscar Biilow over Gesetz und Richteramt, dat nu alweer dertig jaar oud is, had men zich in de 19e eeuw met deze en dergelijke vragen weinig het hoofd gebroken. Men beschouwde het nu eenmaal als van zelf sprekend, dat de rechter niet anders deed dan den abstracten regel toepassen op het concrete geval. Zijn taak was het uitzoeken van het geval en het schuiven daarvan in het hokje, door den wetgever opgesteld. Automatisch kwam dan de gewenschte oplossing, de beslissing van het rechtsgeschil. Zuiver intellectueel werk alzoo, zonder eigen beoordeeling, eigen waardeering. Niemand heeft deze gedachte scherper geformuleerd dan Montesquieu: “Les juges de la nation ne sont que la bouche qui prononce la parole de la loi, des êtres inanimés qui n’en peuvent modérer {122} ni la force ni la rigueur”. En wat van den rechter gezegd werd, gold ook voor de rechtswetenschap, voorzoover deze zich de voorlichting van den rechter, het oplossen van rechtsvragen, waarvan het antwoord niet maar eenvoudigweg uit de wet is af te lezen, ten doel stelt. Zij had niets anders te doen, dan de in de wet neergelegde gedachten nader uit te werken en toe te lichten — de wet te interpreteeren, gelijk het heet. Toen men echter tot nauwkeuriger analyse van ‘s rechters taak kwam, bleek weldra anders.

4

   It started with an analysis of the relationship of the judge to codified law. The slow progress of the legislative process led to more freedom of the judge. This raised the question to what extent this freedom was permitted to the judge. People started thinking about the role of the judge. The judge has to apply the codified law, there was and is agreement about this. But how far does this obligation go, is it his only task and what is “application of codified law” actually? Until the publication of Oscar Bülow’s fine speech on Gesetz und Richteramt2, which is now thirty years old, little thought was given to such questions in the 19th century. It was taken for granted that the judge did nothing but apply the abstract rule to the concrete case. His task was to sort out the case and then put it in a box, that had been drawn up by the legislator. The desired solution then automatically followed, the decision of the legal dispute. Purely intellectual work, therefore, without any personal judgment or appreciation. No one has formulated this thought more sharply than Montesquieu: The judges of the nation are only mouths, who pronounce the words of the law, inanimate beings, who cannot moderate neither its force nor its rigor. (trans. LHC)3 And what was said of the judge also applied to legal science, the task of which was to provide the judge with information and to solve questions of law, the answer to which could not simply be read from the law. Jurisprudence was supposed to do nothing more than elaborate and elucidate the ideas laid down in the law—interpret the law, so to speak. However, when one came to a more precise analysis of the judge’s task, it soon turned out to be different.

5

   Geven we een voorbeeld. De wet bepaalt, dat scheiding van tafel en bed kan worden uitgesproken op grond van buitensporigheden, door den eenen echtgenoot jegens de andere gepleegd. Wat zijn dat buitensporigheden? Volgens den Hoogen Raad: “handelingen onbestaanbaar met het begrip van huwelijkstrouw en met een dragelijk samenleven”, volgens een ander rechtscollege: “handelingen en bejegeningen van zoodanigen grievenden en krenkenden aard dat verdere samenleving onhoudbaar moet worden geacht”, of: ,,dat verdere goede verstandhouding redelijkerwijze niet kan worden verwacht”. Dat is dus nog interpretatie, nadere bepaling van het wettelijk begrip buitensporigheden. Maar wat doet de rechter nu, als hij dit voorschrift toepast? Enkel uitmaken, wat geschied is en de aldus vastgestelde feiten onder den wettelijken regel subsumeeren? Immers, neen, als hij heeft vastgesteld, b.v. dat de man voortdurend misbruik maakt van sterken drank, moet hij ook nog beslissen, of dat gedrag nu inderdaad is in strijd met een dragelijk samenleven, van grievenden en krenkenden aard. Hij moet dat gedrag waardeeren, het toetsen aan normen, die de wet hem niet geeft. Er is een behooren — en een rechtens behooren — dat niet in de wet is neergeschreven. Tusschen de beide deelen van de traditioneele taak van den rechter schuift zich een derde, het belangrijkste: de vaststelling van den regel, waaraan het gedrag van den betrokkene behoort te voldoen.

5

   To give an example. The codified law provides that a legal separation from bed and board can be pronounced when there is an excess of one spouse towards the other. What is excess? According to the Supreme Court: “acts discordant with the concept of marital fidelity and with a tolerable coexistence”, according to another court: “acts and treatment of such an offensive and injurious nature that further coexistence must be considered untenable”, or: “that further good understanding cannot reasonably be expected”. So far this still concerns an interpretation, i.e., a further determination of the legal concept of excessiveness. But what does the judge do in this case when he applies the legal provision? Just establishing what happened and subsuming the facts thus established under the legal rule? Of course not. After all, if he has established that the man, for example, is constantly abusing strong drink, he must also decide whether that behavior is actually contrary to a tolerable coexistence and whether it is offensive and insulting in nature. He must appreciate that behavior, test it against standards that the codified law does not give him. There is an ought — a legal ought — which is not written down in codified law. Between the two parts of the traditional task of the judge slides a third one, which is the most important: the task of establishing the rule with which the behavior of the person concerned should comply.

6

Talrijk zijn de gevallen, waarin de wetgever door het gebruik van dergelijke ruime termen den rechter overlaat het eigenlijke recht te vinden. En het zijn niet maar enkele bijkomstige voorschriften, die zulk een rekbaren inhoud hebben, het zijn juist de fundamenteele regels van geheel ons verkeersrecht. Men denke aan het beginsel der goede trouw, dat het contractenrecht beheerscht. Wat die goede trouw eischt — de rechter zal het vaststellen. Van een verplichting, die bij overeenkomst is aanvaard, is men bevrijd, als men door overmacht in de vervulling daarvan is verhinderd. De oorlogstoestand dwingt thans dezen regel herhaaldelijk te gebruiken. Wanneer is er nu overmacht? “Wanneer men al datgene heeft verricht dat redelijkerwijze kan worden geëischt”, leert de heerschende leer. Wat echter bij iedere overeenkomst redelijkerwijze verlangd kan worden, het is stellig niet de wet, die het zegt, en het is op geen enkele wijze, door welk onderzoek van tekst of geschiedenis ook, uit de wet te halen.

6

It often happens that the legislator leaves it to the judge to find the actual law by using broad terms such as excessiveness. Such a flexible content of legal rules does not only occur with some ancillary regulations, but precisely with the fundamental rules of our way of dealing with each other. One can think of the principle of good faith, which governs contract law. The judge will have to determine what good faith demands. Another example is that one is released from an obligation accepted by agreement if one is prevented from fulfilling it by force majeure. Due to the state of war, people are currently often forced to make use of this rule. But, when do we speak of force majeure? 4 According to the prevailing teaching, force majeure is “when one has done all that can reasonably be demanded”. Codified law certainly does not state what can reasonably be demanded in every agreement, nor can this in any way be extracted from it by examining the text or its history.

7

Eindelijk het begrip der schuld. Voor een {123}vordering tot schadevergoeding b.v. bij een automobiel-ongeluk zal de rechter hebben uit te maken of de aanrijding aan de schuld van den automobilist is te wijten. Wat onderzoekt hij daarvoor? Vooreerst stelt hij vast wàt er gebeurd is, met welke vaart de auto reed, of signalen gegeven zijn, of de chauffeur aan de goede zijde van den weg gebleven is en zoo meer. Maar de vaststelling van al deze feiten brengt de beslissing nog niet, daarvoor moet het gedrag van de aangesproken partij getoetst worden, gewaardeerd. De rechter zal hebben te bepalen, wat de automobilist behoorde te doen. Wie weet, van hoe fundamenteele beteekenis begrippen als schuld en goede trouw voor de rechtstoepassing zijn, zal inzien dat deze niet enkel in wetstoepassing kan bestaan. Dat geldt voor privaatrecht, maar ook in het strafrecht is, zij het op beperkter schaal, hetzelfde verschijnsel te constateeren. Naast den opzette-lijken doodslag is het door schuld veroorzaken van den dood strafbaar gesteld. Wanneer echter een verzuim, een onhandigheid zoo ernstig moet worden afgekeurd, dat de dader voor het door hem veroorzaakt maar niet gewild gevolg met straf moet boeten, daarover bevat de wet geen regels.

7

Finally, the concept of guilt. In connection with a claim for compensation in the event of, for example, a car accident, the court will have to determine whether the collision is attributable to the driver’s fault. What is he researching in this respect? First of all, he determines what happened, for example what speed the car was traveling at, whether signals were given, whether the driver remained on the right side of the road, etc. But with all these facts established, the decision is still not given. For this, the behavior of the party addressed will have to be tested and valued. The judge will have to determine what the motorist ought have done. Anyone who understands how fundamental the meaning of concepts such as guilt and good faith is, will see that application of law is always more than mere application of codified legal rules. This applies to private law, but the same phenomenon can also be observed on a smaller scale in criminal law. In addition to intentional manslaughter, causing death through negligence is a criminal offence. However, the codified law contains no rules for the question of when an omission or clumsiness must be so seriously disapproved that the perpetrator must pay with punishment for the result he unintentionally caused.

8

   En toch, men bedenke het, het is rechtspraak die in al deze gevallen van den rechter wordt gevraagd. Welke handelingen echtgenooten niet tegen elkander mogen plegen, waartoe contracteerende partijen tegenover elkander verplicht zijn, wanneer zij gedaan hebben wat zij moesten doen. welke zorg men in het algemeen voor eens anders goed en veiligheid behoort te hebben, dat zijn de vragen, die de rechter heeft te beslissen. Wie niet wil aannemen, dat het de bloote willekeur van den rechter is, die deze vragen beantwoordt, dat hij evengoed a als b zou kunnen zeggen, moet het bestaan van een recht naast of achter de wet erkennen. Een recht, normen, die voor den rechter niet door een ander orgaan als bevel zijn geformuleerd, maar die gevonden moeten worden. En dat het niet willekeur van den rechter is, die beslist, ja dat is een overtuiging, die men enkel kan uitspreken, niet kan bewijzen. Voor wien echter vaststaat, dat er een behooren is, een plicht, die niet kan afhangen van wat daarover achteraf door een derde naar willekeur wordt geoordeeld, zal tevens zeker zijn, niet alleen dat de normen voor ons handelen niet enkel door de wet worden gegeven, maar ook, dat die ongeschreven normen rechtsnormen kunnen zijn. Bij de rechterlijke beoordeeling speelt het recht achter de wet telkens door het wets-recht heen.

8

X-It is important to keep in mind that in all these cases it concerns judge-made law that is requested from the court. The judge has to decide what acts spouses are not allowed to commit towards each other, what the contracting parties are obliged to do towards each other and when they have done what they had to do, what care one generally ought to have for the good and safety of others. Whoever does not want to assume that it is completely arbitrary how the judge answers these questions and that he could say a as well as b must recognize the existence of law next to or behind the codified law.5 Legal norms, which have not been formulated by another body as a command to the judge, but which have to be found. That the judge does not make arbitrary decisions is something one can be convinced of, but that cannot be proven. The one, however, who is convinced that there exists an ought or duty, irrespective of how this is afterwards arbitrarily judged by a third party, will not only be sure that the norms for our actions are not merely based on the codified law, but also that those unwritten norms can be legal norms. In every judicial assessment, the law behind the codified law always shines through the codified law.

9

   Heeft men dit eenmaal ontdekt, dan ziet men spoedig in, dat dit niet enkel bij de hier bedoelde voorschriften het geval is, maar eigenlijk overal, waar recht wordt toegepast. Vooreerst zijn er allerlei vragen, waarop de wetgever niet, zooals we tot nu bespraken, een zeer ruim gesteld antwoord geeft, waarvan de eigenlijke inhoud door den rechter wordt gevonden, maar waarop hij eenvoudigweg geen antwoord geeft. In het strafrecht geldt de regel {124}dat, als de wet zwijgt, de daad straffeloos is; is geen wettelijke regel aan te halen, die overtreden is, de dader gaat vrij uit, hoe afkeurenswaardig zijn daad moge zijn. In het privaatrecht daarentegen moet de rechter ieder geschil beslissen, het antwoord: de wet zwijgt en ik weet het ook niet, staat hem niet vrij. Een treffend voorbeeld van zulk een lacune in de wet geeft bij ons het internationaal privaatrecht, de regeling van de burgerrechtelijke verhoudingen tusschen de onderdanen van verschillende staten. Wij hebben over deze stof thans verschillende tractaten, tractaten die echter slechts enkele onderwerpen regelen, en waartoe lang niet alle beschaafde staten zijn toegetreden. Engeland en de Vereenigde Staten houden zich er buiten.

9

   Once one has discovered this, one soon realizes that this is not only the case with the regulations referred to here, but actually everywhere where law is applied. There are, for example, all kinds of questions to which the legislator not only gives a very broad answer, as discussed above, leaving it to the judge to define the meaning in question, but to which he simply does not answer. In criminal law, the rule applies that, if the law is silent, the act is punishable. In short, if there is no legal rule that has been violated, the perpetrator will go free, however objectionable his act may be. In private law, on the other hand, the judge must decide every dispute. He is not free to answer that the law is silent and that he does not know how to decide. A striking example of such a lacuna can be found in our private international law, namely the lack of regulation of the civil-law relations between the nationals of different states. We have several treatises on this subject at present, but these deal with only a few subjects, and by no means all civilized states have acceded. England and the United States are not bound by these treatises.

10

Maar overigens? over heel deze omvangrijke materie, over de massa van rechtsvragen, waartoe het internationale verkeer tusschen de burgers van verschillende staten aanleiding geeft, over hun overeenkomsten, huwelijken en vererving bevat onze wet vier, zegge vier, algemeen gehouden, voorschriften. Er staat, dat den Nederlander zijne wetten betreffende den staat verbinden, ook als hij zich in het buitenland bevindt, d.w.z. dat de vraag of een Nederlander, die in het buitenland woont, meerderjarig is, of hij mag huwen, wiens toestemming daarvoor noodig is en zoo al meer, naar de Nederlandsche wet wordt beslist. Er staat verder, dat ten opzichte van onroerende goederen de wet geldt der plaats waar zij gelegen zijn, dat de vorm der handelingen wordt beoordeeld naar de wet der plaats waar zij zijn voltrokken. Eindelijk, dat het burgerlijk recht van het koninkrijk hetzelfde is voor vreemdelingen als voor Nederlanders zoolang niet uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald. Verder niets. Met behulp van de analogie kan men nog tot de conclusie komen, dat ook voor den vreemdeling ten onzent de bepalingen omtrent den staat van zijn land gelden.

10

But apart from these treatises, our law contains only four rather general provisions concerning the many questions of law to which international relations between the citizens of different states give rise, such as their contracts, marriages and inheritance. It states that for the Dutch person the laws relating to his civil status are binding, even if he is abroad. In other words, the question of whether a Dutch person living abroad has reached the age of majority, whether he is allowed to marry, whose consent is required, etc., is decided under Dutch law. It further states that with regard to immovable property, the law of the place where it is situated applies and that the legal form is judged according to the law of the country where the acts were performed. Finally, it is stipulated that Dutch civil law applies to foreign nationals in the same way as to Dutch citizens, as long as the contrary has not been expressly stated. There is nothing else. On the basis of analogy, one can conclude that the provisions of his own country apply to the foreign national in the Netherlands, as far as his civil status is concerned.

11

Maar hoe te beslissen bij de bepaling van den inhoud van de contractueele verbintenissen: moet een koopovereenkomst tusschen een Duitscher en een Nederlander in Engeland gesloten in haar gevolgen beoordeeld worden naar Duitsch, Nederlandsch of Engelsch recht? Hoe het huwelijks-goederenrecht te beoordeelen: een Hollander trouwt een Amerikaansch meisje, heeft deze handeling ten aanzien van het vermogen de gevolgen, die onze wet voorschrijft of die, welke de wet van den staat waartoe de vrouw behoort, bevat? Hoe is het met het erfrecht? Op alle deze vragen, rechtsvragen, moet de rechter het antwoord vinden. Uit de wet kan hij het niet putten.
   We spraken van analogische wetstoepassing. Ook daarin zit iets anders en meer dan het eenvoudig subsumeeren van een geval onder een regel, meer dan enkel intellectueel werk. Het is traditioneele wijsheid, dat men tot analogie zijn toevlucht mag nemen, als met de eigenlijke uitlegging der wet geen resultaat is te bereiken. De wetgever stelt dan een of anderen regel op, een den rechter voorgelegd geval valt onder dien regel niet, intusschen toont het {125}verwantschap met het wel geregelde — de rechter meent reden te hebben dien regel bij analogie toe te passen. Dit is in juridische zaken een zeer gebruikelijke wijze van redeneren.

11

The question is therefore how, for example, the content of the contractual obligation should be determined in a purchase agreement between a German and a Dutchman concluded in England. Should the consequences of this be assessed according to German, Dutch or English law? Which matrimonial property law applies if, for example, a Dutchman marries an American girl. Does this marriage have the effects of property as prescribed by our law or by the law of the country to which the woman belongs? And what about inheritance law? All these questions are legal questions to which the judge must find an answer. He cannot draw this answer from the codified law.
   We spoke above of an analogous application of the law. In such a law application, too, there is something different than simply subsuming a case under a rule, there is more going on than simple logical reasoning. It is traditionally assumed that one may resort to analogy if one cannot achieve a result through an interpretation of the law. The case submitted to the court does not fall under the rules laid down by the legislator, but shows a relationship with a particular legal rule and the court believes it has reason to apply that rule by analogy. Analogous reasoning is very common in legal dispute resolution.

12

Wat blijkt echter als men deze handelswijze analyseert? Dit, dat de rechter om tot den nieuwen regel te komen eerst moet opklimmen tot een alge-meneren, waarvan het wetsvoorschrift het uitvloeisel is, om dan weder af te dalen tot de nieuwe norm, die hij opstelt. B.v. de wet geeft een regel voor Nederlanders. Of zij meerderjarig zijn moet beoordeeld worden naar de Nederlandsche wet. Maar stel nu omgekeerd: voor een Nederlandschen rechter rijst de vraag, of een Zwitser, die hier woont, meerderjarig is op zijn 20ste jaar, zooals de Zwitsersche wet bepaalt, dan wel op zijn 21ste, zooals in onze wet staat. De rechter neemt nu bij analogie aan, dat ook voor Zwitsers de bepalingen omtrent hun persoonlijken staat van hun nationale wet gelden, gelijk dat voor Nederlanders in de wet is gezegd. Maar op welken grond? Op geen anderen, dan dat hij vrijheid meent te hebben den regel van onze wet omtrent de Nederlanders tot een ieder, van welke nationaliteit hij zijn moge, uit te breiden. Maar of hij die vrijheid heeft, of hij dat re recht doet, zal in laatste instantie niet de wet — van wie wij immers onderstelden, dat zij zich over de zaak niet uitlaat — maar zijn eigen waardeering beslissen. Men ziet het verschil tusschen deze wijze van redeneeren en de gewone wijze van wetstoepassing.

12

An analysis of this line of reasoning shows that in order to arrive at a new rule, the judge must first ascend to a more general one, of which the related legal provision is a corollary, and then descend from there to the new norm which he establishes. For example, the law establishes for Dutch citizens that the question of whether they are of age must be answered in accordance with Dutch law. But suppose the opposite case occurs: before a Dutch judge the question arises whether a Swiss person living here is of age at 20, as determined by Swiss law, or at 21, as stated in our law. The court now assumes by analogy that the provisions of their national law for the determination of their personal status also apply to Swiss citizens, just as it is established by law for Dutch citizens. But what does the judge base this on? No other than that he thinks he has the freedom to extend a rule of our law about the personal status of the Dutch to everyone, of whatever nationality. But whether the judge has that freedom, in other words whether he is justified to do this, is a question for which in the final instance not the codified law — of which we supposed that it does not express itself on the case — will be decisive, but the judge’s own assessment. So there is a difference between the analogical way of reasoning and the ordinary application of the law.

13

Bij de directe toepassing der wet wordt een concreet oordeel uitgesproken, dat feitelijk reeds in den abstracten regel der wet is vervat. Als de wet ieder, die zich aan diefstal schuldig maakt, strafbaar verklaart en de rechter maakt uit, dat Jan gestolen heeft, dan is zijne conclusie, dat Jan dus strafbaar is, al in het oordeel der wet opgesloten. Als de rechter de analogie gebruikt daarentegen, past hij een regel toe, die niet door de wet is uitgesproken noch door enkel logischen arbeid er uit is af te leiden. Andere normen dan die der wet beïnvloeden zijne beslissing, de vraag of de regel, dien hij uitbreidt, uitvloeisel is van een algemeene ongeschreven norm, dan wel bijzonder voorschrift, zal hem de analogie doen aanvaarden of verwerpen.
   En eindelijk. Spreekt ook niet in wat men ten allen tijde als het bijzondere werk van den rechter en de hem voorlichtende rechtswetenschap heeft beschouwd, in de interpretatie de toetsing van het resultaat aan niet door de wet geformuleerde normen een groote rol? Zoodra men interpreteeren gaat, is het feitelijk gedaan met de leer, dat wet recht is.

13

In the case of a direct application of the law, the concrete judgment, which is pronounced, was in fact already contained in the abstract rule of the codified law. If a statutory provision declares that anyone guilty of theft is punishable and the judge decides that Jan has stolen, the conclusion of the judge that Jan is punishable is already included in the provision. However, if the judge uses analogy, he is applying a rule that is neither explicitly found in the codified law nor logically inferred from it. Standards other than those of the codified law influence his decision then. The judge will accept or reject the analogy depending on whether the rule he is extending is the result of a general unwritten norm or of a special precept.
    And last but not least. Also in the interpretation, which has always been seen as specific to the work of the judge and the contribution to it from the side of legal science, the testing of the result against standards not formulated by law plays a major role. As soon as one starts to interpret, one basically abandons the teaching that codified law and law are the same thing.

14

Keizer Justinianus — als ieder codificator geneigd de beteekenis der wet te overschatten — wist wel, wat hij deed, toen hij het schrijven van commentaren op zijn wetboek verbood. Wie het waagde dat gebod te overtreden, werd gestraft en zijn boeken werden verbrand. Alleen aan den wet-gever, in casu den keizer zelf, zou het staan bij gerezen twijfel omtrent den zin dezer wet te beslissen. Hij wist wel wat hij deed{126}— immers iedere interpretatie voegt iets aan de wet toe. Over de methoden van uitlegging is veel getwist, het is hier niet de plaats dien twist op te halen — één ding staat wel vast: interpretatie der wet is niet het onderzoeken van de bedoeling van hen, die de wet maakten — hoe zou dit bij de veelhoofdige wetgevers, als wij thans kennen, mogelijk zijn? — het is een vaststelling van den zin der wet. Nu moge de een daarbij meer, de ander minder vrijheid laten aan het oordeel van den rechter, de een zich meer gebonden rekenen aan het spraakgebruik, de beteekenis der woorden van de wet in het dagelijksch leven, of de geschiedenis van het tot stand komen der bepaling, of de traditie, of welken factor dan ook. die bij het interpreteeren zijn invloed doet gelden — niemand kan ontkennen, dat bij de afweging der verschillende factoren bewust of onbewust de waardeering van het resultaat door den rechter, de toetsing daarvan aan niet in de wet geschreven normen, aan wat naar ‘s rechters oordeel behoort recht te zijn, zijn invloed doet gelden.

14

Emperor Justinian—who, like any codifier, was prone to overestimate the significance of codified law—knew what he was doing when he forbade the writing of commentaries on his code. Whoever dared transgress that command was punished and his books were burned. Only for the legislator, that is to say for the emperor himself, would it be appropriate, in case of doubt, to give a more detailed interpretation of the meaning of the law. He knew what he was doing, because after all, every interpretation adds something to the law. There has been a lot of controversy about interpretation methods. This is not the place to go into that discussion. One thing is certain, however: interpretation of the law is not an inquiry into the intentions of those who made the law. That is clearly impossible with today’s many-headed legislators. Interpretation involves determining the meaning of the law. It may be the case that some give more and others less room to the judge’s judgment, one can feel bound to the language used, to the meaning of the words of the provisions in daily life, the history of their creation, to the tradition, or whatever factor comes into play in the interpretation. However, no one can deny that in weighing the various factors, the judge’s own view of the desired result, consciously or unconsciously, exerts influence and that he tests this result against norms, which are not written down in legal provisions, but represent what in the judge’s view ought to be law.

15

Dit vloeit weder hieruit voort, dat niemand in staat is een hiërarchie tusschen de verschillende factoren, die bij de interpretatie te pas komen, aan te geven, niemand nog heeft uitgemaakt, wanneer de woorden der wet. wanneer haar historie of doel den doorslag moeten geven. Wel zijn er — vooral ten onzent — die sterk aan de uitgesproken formuleering der wet hechten, maar ook zij moeten, indien de woorden niet duidelijk zijn, hun toevlucht tot andere middelen van interpretatie nemen, en ook voor hen geldt dus de conclusie, die ik aanwees. Het verschil tusschen hen en hunne tegenstanders is niets anders dan een verschil van min of meer, het is gradueel, niet principieel. Ook voor hen blijft waar, dat wetsinterpretatie voor een groot deel ander dan intellectueel werk is, dat de overtuiging omtrent wat behoort een overwegenden invloed doet gelden.
   Wat wij opmerkten over het zoeken van het recht, waar de wetgever dat den rechter uitdrukkelijk opdraagt, geldt ook hier. In iedere rechtstoepassing ligt dit — alleen is de rechter nu eens meer, dan weer minder door de normen, die de wetgever formuleerde, gebonden. De wetgever beslist dan voor hem en hij heeft zich bij die beslissing neer te leggen, zich te houden binnen de perken, die de wet stelde.
   Ziet men zoo de rechtstoepassing, dan is de taak van de rechtswetenschap, die haar voorlicht, ook een andere dan traditioneel werd geleerd. Er is niet één enkel gegeven: de wet en bewerking der wet is niet de eenige taak van de wetenschap. Taak is het zoeken van het recht, het vinden der rechtsnormen, de wet daarbij èn hulpmiddel èn grens. Hulpmiddel, voorzoover het oordeel, door den wetgever uitgesproken, van nut kan zijn bij het onderzoek van vragen waar hij zwijgt, grens, voorzoover een bindende uitspraak der wet het vrije onderzoek beperkt. Daarover zoo straks verder. Het is noodig dat wij eerst nog een andere zijde der zaak bezien. {127}

15

This is because no one is able to indicate a hierarchy between the various factors that play a role in the interpretation. It is not clear to anyone when the words of the codified law should be decisive or when the history of the law or its purpose should be followed. There are quite a few people — especially in the Netherlands — who attach great importance to the wording pronounced in the written provisions. But they too must resort to other means of interpretation if the words are not clear. They must therefore also come to the conclusion I indicated above. The difference between them and their opponents is a matter of more or less, it is gradual, not principled. Also with regard to them it remains true that the interpretation of written provisions is to a large extent something different from intellectual work and that the conviction about what ought to be law plays a major role.
   What we said above about seeking the applicable law in cases in which the legislator expressly instructs the judge to do so, also applies here. This plays a role in every legal application. The judge is merely sometimes more than at other times restricted in his freedom through the norms formulated in the codified law. When the legislator clearly determines what the court should decide, the court has to accept that decision and must stay within the limits set by the written provisions.

   From this perspective on the application of law, the informative task of legal science is different from what is traditionally stated. There is not one single given: the law. Analysis of the codified law is not the only task of legal science. The task is to seek the applicable law, to find the legal norms. Codified law is both a tool and a limit in this respect. Tool, insofar as the opinion which is explicitly expressed by the legislator can be useful in investigating the questions about which he is silent. Limit, insofar as binding decisions of the codified law restrict free research. This is further elaborated below. First, another side of this issue is discussed.

16

§ 2 Wet en feiten.

   De uitspraak, dat niet in de wet alle recht te vinden is, is nog in een anderen zin waar.
   Wanneer we van geldend recht spreken, kan daaraan een dubbele beteekenis worden gehecht, we kunnen er mee meenen de rechtsnormen, die behooren gevolgd te worden — maar wij kunnen ook op het oog hebben de rechtsnormen, die men werkelijk volgt. Veelal dacht men dat deze beide samenvielen: de wet schrijft voor wat behoort te geschieden en de wet wordt door de daartoe aangewezen autoriteiten gehandhaafd. Niet, dat er niet ten allen tijde onrecht is gepleegd, — dat ontkent niemand — maar het anders handelen dan de wet beval, bleef onrecht en daartegen kan met de door de wet zelf aangegeven middelen worden gereageerd en werd ook gereageerd. Nu is men in den laatsten tijd tot de conclusie gekomen, dat deze voorstelling, hoe eenvoudig en aanlokkelijk ook, toch niet juist is. Er is heel wat recht, dat erkend en gevolgd en gehandhaafd wordt naast de wet, er zijn omgekeerd heel wat wetsvoorschriften, die tot een doode letter zijn geworden. De breuk tusschen wat in de wet staat te lezen en wat in werkelijkheid als recht wordt geëerbiedigd, eenmaal opgemerkt, werd en wordt telkens weer teruggevonden.

16

§ 2 Codified law and facts

   The statement that there exists law which is not written down as codified law is also important in another way.
   When we speak of
valid law, this can be understood in two ways. We may refer to the legal norms that should be followed — but we can also refer to the legal norms that are actually followed. It has often been thought that these two views coincided: the written provisions prescribe what should be done and this is enforced by the appropriate authorities. No one denies that legal norms are time and again violated, but acting differently than the codified law commands was seen as an injustice, which can and will be reacted to with the means indicated by the law itself. Recently, however, it has been concluded that this concerns a misrepresentation, however simple and enticing it may seem. There is a lot of law besides the codified law that is recognized, followed and enforced. Conversely, there are many written provisions that have become a dead letter. Once the break between what is written down in provisions and what is actually recognized as law is noticed, it keeps coming back into view.

17

   Ook hier enkele voorbeelden. Het allerbelangrijkste voorop. Van den grondslag van geheel onze staatsinrichting, het parlementaire stelsel, is in de Grondwet niets te vinden. Tusschen regeering en volksvertegenwoordiging behoort overeenstemming te bestaan omtrent de hoofdrichting, waarin het staatsbeleid zal worden gevoerd — wij zijn er allen van overtuigd. En toch, waar staat het in de Grondwet? Vast staat sinds den parlementairen strijd van 1868, dat, indien te eeniger tijd, hetzij ten gevolge van den uitslag der verkiezingen, hetzij door andere omstandigheid, die overeenstemming tusschen de Tweede Kamer en de regeering komt te ontbreken en de kamer haar vertrouwen aan het ministerie opzegt, het ministerie zich niet kan en staatsrechterlijk zich ook niet mag handhaven. Vast staat ook, dat de ministers bij de verantwoordelijkheid, die hun ten aanzien van iederen regeeringsmaatregel kan worden gevraagd, tegenover de kamer niet kunnen aanvoeren, dat zulks is geschied naar den persoonlijken wensch van den koning, dat zij niet de vrijheid hebben een beoordeeling van de kamer van welke regeeringsdaad dan ook af te wijzen met een beroep op de zelfstandigheid van de koninklijke macht. Regels van dezen aard meent men, als men van een parlementair stelsel spreekt.

17

   We give some examples. The most important thing first. There is nothing in the Constitution about the parliamentary system, which is the basis of our constitution. We are all convinced that there should be agreement between the government and the representatives of the people on the main lines of state policy. And yet, where does it say in the Constitution? Since the parliamentary struggle of 1868 it has been established that as soon as there is no agreement between the House of Representatives and the government as a result of the results of the elections or for any other reason and the House withdraws confidence in the government, the government cannot also not allowed to sit. It is also certain that ministers are responsible for the government measures they take and cannot rely on the chamber that they have acted in accordance with the personal wishes of the king. As a result, ministers are never at liberty to withdraw a government act from an assessment by the Chamber on the grounds of the independence of the royal power. These kinds of rules are referred to when we talk about a parliamentary system.

18

En wat geeft daartegenover de Grondwet? Dat de koning de ministers benoemt en ontslaat naar welgevallen, dat hij heeft de uitvoerende macht, dat het hem vrijstaat een door de Staten-Generaal aangenomen wetsontwerp al of niet te sanctioneeren. Niemand, die de realiteit wenscht te zien, kan uit deze wetsbepalingen het gel{128}dende recht afleiden. De Grondwet ging uit van de gedachte der constitutioneele monarchie: de koning souverein, beperkt in de uitoefening van zijn macht door de volksvertegenwoordiging, de werkelijkheid is anders. De wet bleef dezelfde, het recht veranderde.
   De Grondwet biedt meerdere voorbeelden van zulk een verandering. Men kan ook nu nog de vraag, of de Grondwet subsidieering van bijzonder onderwijs toelaat, als een vraag van de interpretatie van art. 192 beschouwen, maar niemand, die een beschrijving van het thans geldend recht wil geven, kan zijn oogen sluiten voor het feit, dat sinds 1889 de wetgever van dit bezwaar niet meer wil hooren, dat de practijk de subsidieering heeft aanvaard en — dat de overtuiging is doorgedrongen, dat het ook zóó hoort. Is het tegenover deze feiten vol te houden, dat de Grondwet anders zou beslissen? Naast deze voorbeelden, die toch waarlijk geen kleinigheden betreffen, zijn talrijke andere te stellen. Rondom de Grondwet is een reeks gewoonten opgekomen, hebben zich overtuigingen gevestigd, naast de letter der wet of zelfs er mee in strijd, die juist evenveel en op dezelfde wijze worden in acht genomen en gehandhaafd als de wettelijke voorschriften zelf. Zijn ook deze niet bij een opsomming van het geldend recht te gedenken?

18

And what does the Constitution say about these issues?6 It is stated that the king appoints and dismisses the ministers as he pleases, that he has executive power, that he is free to sanction or not sanction a bill adopted by the States General. It is clear that the law in force cannot be deduced from these legal provisions. The Constitution was based on the idea of ​​a constitutional monarchy in which the king is sovereign and is restricted in the exercise of his power by the parliament. However, the current reality is different. The codified law kept the old formulas, while the law changed.
   The Constitution offers several examples of such changes. One could still regard the question of whether the Constitution allows the subsidization of special education
7 as a question about the interpretation of art. 192 Gw. However, no one who intends to give a description of the applicable law will close his eyes to the fact that since 1889 the legislature has accepted the practice of subsidization and that it is the general belief that it should be so. In the light of these facts, it cannot be maintained that the Constitution provides otherwise. Besides these examples, which are really not about trifles, there are many others to be given. A series of customs and established beliefs have sprung up around the Constitution, which are outside or even contrary to the letter of it and which are observed and enforced in the same way as the legal precepts themselves. Shouldn’t these therefore be regarded as parts of the applicable law?

19

   Naast het staatsrecht het privaatrecht. Ook onze vermogens-en familierechtelijke verhoudingen zijn niet te kennen uit de wet. Denk aan het contractenrecht. De wet geeft daarvoor algemeene regels, zij laat aan ieder vrij om binnen zekere grenzen den concreten inhoud der rechtsbetrekking zelf vast te leggen. Voor wie het recht wil kennen, zijn die contractsbepalingen niet van belang, hij houdt zich aan de algemeene voorschriften. Maar anders wordt dit, indien de uitzondering feitelijk regel wordt, de regel uitzondering. De wet bepaalt dat zekere bevoegdheid bedongen mag worden of wel dat aan zekeren regel mag worden gederogeerd, nu wordt het gewoonte die bevoegdheid of de derogatie aan het wettelijk voorschrift in contracten op te nemen. Wat is nu het geldend recht: het wetsvoorschrift of de altijd weer bedongen contractueele regeling? Gevallen als deze doen zich vooral voor, waar het contract aan een vorm is gebonden, b.v. door een notaris moet worden opgemaakt, en zoo in de practijk vaste formulieren worden gebruikt, die altijd weer worden gevolgd. De wet zegt b.v. dat degeen, die eerste hypotheek op een goed heeft, bedingen mag, dat hij gerechtigd zal zijn eigenmachtig dit goed te verkoopen, indien de schuldenaar met betaling van aflossing of rente in gebreke blijft. De hypotheekakte wordt opgemaakt door een notaris en ik betwijfel of er onder de duizend acten van eerste hypotheek, die de notarissen verlijden, één is, waarin het beding niet voorkomt. Wat is nu geldend recht — dat de eerste hypotheekhouder wel of dat hij niet eigenmachtig kan verkoopen?

19

   If we shift our attention to private law, it appears that our property and family law relationships cannot be known from the law either. For example, look at contract law. The law provides general rules for this and leaves everyone free to determine the concrete content of legal relationships within these limits. The person who wants to describe the existing law will only pay attention to the general rules and consider the contractual provisions unimportant. But this changes when the exception becomes the rule and the rule becomes the exception. Suppose, for example, that the law permits that a certain authority may be stipulated or that a certain rule may be deviated from and that it becomes the custom to include that authority or deviation from the statutory provision in contracts. What then is the applicable law: the statutory provision or what is normally stipulated in a contract? This type of case is especially common when the contract is bound by a specific formal requirement and must for example be drawn up by a notary, so that in practice fixed forms are used. This is the case with the law that determines that the person who has the first mortgage on an asset may stipulate that he will be entitled to sell the asset if the debtor defaults on the payment of principal or interest. The mortgage deed is drawn up by a notary and I suspect that among the thousands of deeds of first mortgage that the notaries draw up, there is not one in which the clause does not appear. What is the current law: whether or not the first mortgagee is entitled to sell?

20

Of wel, de belanghebbenden vereenigen zich en stellen een soort model-contract op, {129}zij formulèeren zelf de regels, die zij bij het sluiten hunner overeenkomsten zullen volgen. Assuradeurs hebben dat al tijden geleden gedaan, de Amsterdamsche en Rotterdamsche beurscondities bevatten hun eigengemaakt recht, in latere jaren zijn tal van takken van bedrijf gevolgd, effecten-, koffie-, graan-, bloembollen-, olie- en zooveel meer handel, zij alle hebben hun eigen voorwaarden en ieder door de leden der bedrijfsvereeniging gesloten contract, wordt geacht die voorwaarden te behelzen. Waaruit zou nu het assurantierecht bestudeerd moeten worden, waaruit het recht van den handelskoop, uit die condities of uit de wet? De regeling kan ook internationaal zijn, onze wet geeft b.v. een bijzonder groot aantal bepalingen over het instituut der averij-grosse (den omslag van de kosten van een opoffering ter wille van een schip in nood, b.v. het werpen van een deel der lading, over schip, vracht en lading). De reeders besloten internationaal een eigen regeling te maken, die uit den aard der zaak met de onze niet altijd overeenstemt. Het wordt gebruik in ieder scheepspapier te bedingen, dat naar deze York-Antwerp-rules, gelijk zij heeten, de omslag in averij-grosse zal geschieden.

20

Another example is when stakeholders unite and draw up a kind of model contract. For their part, they then formulate the rules that they will follow when concluding their agreements. Insurers have done this ages ago and the Amsterdam and Rotterdam stock exchange conditions also contain provisions of their own making. Numerous industries followed in later years, such as trading in securities, coffee, grain, flower bulbs, and oil. Each industry has its own terms and conditions and any contract entered into by a trade association member is deemed to contain those terms. Which source should now be studied for insurance law and commercial law? The conditions included in the contracts or the codified law? There may also be an international arrangement. It is true that our law contains a particularly large number of provisions on general average (which regulate how the costs must be divided when a ship in distress has suffered damage to ship or cargo as a result of rescue operations), but the shipowners decided to make their own international arrangement, which of course does not correspond in all points with that of our codified law. It has subsequently become customary to stipulate in every contract that the distribution of the costs at general average will take place in accordance with these so-called York-Antwerp-rules.

21

Waaruit nu het recht over dit instituut te putten, uit de congres-regeling, die nimmer tot wet is verheven, of uit de wet, die meestal op zij wordt gezet? Eindelijk: de regeling kan ook afkomstig zijn van een bepaalde autoriteit, die oorspronkelijk alleen eigen verhoudingen wilde vastleggen, maar wier voorschriften om het gezag, dat van haar uitgaat, overal worden nagevolgd. De minister van Waterstaat heeft b.v. algemeene voorschriften gegeven, die in acht genomen zullen worden bij de aanbesteding van werken ten behoeve van den Staat. Het is gewoonte geworden naar deze voorschriften in andere aanbestedings-contracten te verwijzen. Behooren zij niet tot het recht van deze contractueele verhouding? In al deze gevallen hebben wij met normen te doen, die de contractsverbindingen beheerschen niet krachtens het bevel der overheid maar op grond van de vrije onderwerping van partijen. Maar staan partijen niet juist zóó tegenover hen als tegenover het aanvullend recht van den wetgever, waarvan toch ook afwijking geoorloofd is. In beide gevallen treden partijen krachtens hun vrijen wil in een bijzondere rechtsverhouding tot elkaar; waartoe zij in hoofdzaak verplicht zullen zijn bepalen zij zelf, maar overigens wordt hunne verhouding beheerscht door een reeks van abstracte voorschriften, door anderen opgesteld, die automatisch door het aangaan der overeenkomst werking voor hen verkrijgen, zonder dat partijen zich al de bijzonderheden der regeling realiseeren. Is dus het een niet even goed recht als het ander, en is, als het eene (het contractueele) wèl wordt ingeroepen en nageleefd en gehandhaafd en het andere niet of niet dan bij uitzondering, het eerste niet het eigenlijk levende recht?

21

Again, what is the source from which the applicable law regarding general average must be drawn: from the internationally agreed settlement, which never became law, or from the law, which is usually set aside? Finally, there may be an arrangement originally laid down by a certain authority for the benefit of certain relationships in which it acts as a contracting party, but which, because of the authority it emanates, is followed in a much wider circle. For example, the Minister of Water Management has drawn up general regulations that must be observed when tendering works for the State. However, it has become customary to refer to these regulations in other procurement contracts. Do these rules not now belong to the law of procurement contracts? In all these cases we are dealing with norms which govern contractual relations, not however because they are imposed by government, but because parties freely submit to them. Do not these rules have the same meaning for the parties as the rules of supplementary law, which are drawn up by the legislator to be applied when the parties have not deviated from these in their contract? In both cases the parties enter into a special legal relationship with each other on the basis of their free will, whereby they determine for themselves what they will essentially be obliged to do, while for the rest their relationship is governed by a series of abstract regulations drawn up by others, which automatically enter into force upon entering into the agreement without the parties realizing all the details of that arrangement. So are the general rules drawn up on a contractual basis not law in the same way as the statutory rules of supplementary law? And if the contractually based rules are invoked, complied with and enforced and the rules of supplementary law not or only exceptionally, are the contractual rules then not the actually living law?

22

   We zien iets dergelijks in het familierecht. Wie zal beweren, dat de bepaling van het burgerlijk wetboek, dat de vrouw haar {130}man gehoorzaamheid verschuldigd is, waarlijk recht is in Nederland? Niet omdat zij niet afdwingbaar zou ,zijn. Er zou wel een weg te vinden zijn, — als men wilde — om het voorschrift althans eenige realiteit te geven. Men zou de overtreding b.v. als een buitensporigheid kunnen beschouwen, die grond gaf voor een scheiding van tafel en bed. Toch is dat nimmer zelfs maar geprobeerd. Ook ten aanzien van het huwelijksgoederenrecht geldt wat ik van het contractenrecht zeide. Merkt men iets van de zoogenaamde onbekwaamheid der gehuwde vrouw buiten het gebied van het eigenlijke kapitaalbeheer? Wat weet een arbeidersvrouw er van of een vrouw uit den kleinen middenstand? De wet geeft den regel: algeheele gemeenschap van goed tusschen man en vrouw — partijen kunnen anders bedingen. Huwelijksche voorwaarden worden tusschen niet geheel ongefortuneerde lieden min of meer gewoonte. Nu is het nog zoover niet, maar het kàn zoover komen, dat er méér menschen huwen met dan zonder huwelijksche voorwaarden. Zou men dan nog meenen, dat het wettelijk huwelijksgoederenrecht het eigenlijke Nederlandsche recht voor deze verhouding was?

22

   In family law we see something similar. No one will claim that the provision of the civil code, that the wife owes her husband obedience, is prevailing law in the Netherlands. Not because the provision is unenforceable. If one wanted to, there could be a way to give the prescription some realism. For example, disobedience on the part of the wife could be regarded as an extravagance, on the basis of which a separation from bed and board could be requested. Yet that has never even been attempted. What was said above about contract law also applies in the field of matrimonial property law. Outside the realm of capital management, little or nothing is noticed of the legally established incapacity of women.8 What does a working-class woman or a woman from the small middle class know about it? The law provides that a general community of property will prevail in the marriage between a man and woman and gives the parties the opportunity to stipulate otherwise. Prenuptial agreements are becoming more and more common even among not very wealthy people. It is not there yet, but it may come to the point that more people get married with prenuptial agreements than without. Would one still think that the legally determined matrimonial property law is the prevailing Dutch law for this relationship?

23

   Het familierecht geeft ook een sterk voorbeeld van wat de rechtspraak soms van het wettelijk recht maakt. Ik spreek nu niet over de vraag, hoe de rechter tegenover de wet behoort te staan, maar over wat hij feitelijk doet. De uitkomst, die bestudeering der jurisprudentie geeft, is zacht gezegd — soms wel eenigszins anders dan men bij lezing der wet zou verwachten. Men denke aan het echtscheidingsrecht. De wet bepaalt, dat echtscheiding bij onderlinge toestemming niet is toegelaten. Toch is het bekend, dat het niet moeilijk is in Nederland in onderling overleg te scheiden, mits een der partijen zich maar de beschuldiging van overspel of kwaadwillige verlating laat welgevallen. Hoe komt dat? De zaak is zeer eenvoudig. In 1883 maakte de Hooge Raad uit, dat de regel, dat de bekentenis volledig bewijs is, ook in echtscheidingszaken geldt. Wanneer dus de vrouw den man van overspel beschuldigt, en deze het feit bekent, moet de rechter de echtscheiding uitspreken. Nog simpeler gaat de zaak, als de man eenvoudig wegblijft, verstek laat gaan, gelijk het heet. De leer van den Hoogen Raad werd door de lagere colleges aanvaard, ook in haar consequenties, zoo werd zelfs een echtscheiding uitgesproken tegen een man, die uitdrukkelijk tegen de beschuldiging protesteerde, maar er aan toevoegde, dat hij haar toch maar zou erkennen — hij wilde immers even graag van zijn vrouw af als zij van hem.

23

   Family law also provides a clear example of how the judiciary sometimes deals with codified law. I am not talking now about how the judge should deal with the law, but about how he actually does it. The outcome that one finds when studying the case law is, to say the least, sometimes somewhat different than one would expect when reading the written provisions. For example, the law provides that divorce by mutual consent is not allowed. Yet it is known that it is not difficult in the Netherlands to divorce by mutual agreement, provided one of the parties accepts the accusation of adultery or malicious abandonment. How is that possible? The matter is very simple. In 1883 the Supreme Court ruled that the principle that a confession is complete evidence also applies in divorce cases. So when the wife accuses the husband of adultery, and he confesses the fact, the judge must pronounce the divorce. It is even simpler if the man stays away and the case can be handled by default.. The doctrine of the Supreme Court has been fully accepted by the lower courts. Thus a divorce was even pronounced against a man who expressly protested against the accusation, but at the same time added that he would admit the accusation anyway, since he wanted to get rid of his wife as much as she did from him.

24

Men kan deze rechtspraak betreurenswaardig vinden. Men kan als schrijver dezes van oordeel zijn, dat zij ook naar onze wet technisch niet juist is, toch moet men erkennen, dat zij zoozeer is ingeburgerd, dat het niet meer aangaat haar eenvoudig te negeeren en bij een beschrijving van ons echtscheidingsrecht te volstaan met opsomming der wettelijke gronden en toevoeging, dat zij bij overleg onderling{131} niet kan geschieden. Uit de wet alleen is het feitelijk geldende recht niet te kennen. Hoe moeilijk het is deze waarheid in het oog te houden, leert de toelichting tot het wetsontwerp, dat minister Regout indertijd voorstelde om aan wat ook hem een misbruik der jurisprudentie scheen een eind te maken. Hij zelf herinnert aan het feit, dat de rechtspraak van den Hoogen Raad algemeen is doordrongen, maar als hij ter ondersteuning van wat hij voorstelt een beroep doet op het buitenland, geeft hij een beschrijving van het daar geldende recht enkel maar uit de wet en verzuimt er rekening mee te houden, dat ook in Frankrijk b.v. langs omwegen wordt bereikt wat ook daar de wetgever verbiedt: de echtscheiding bij onderlinge toestemming. Wat ten onzent thans rechtens is, geldt nergens, heet het in de memorie. De minister vergat, dat hij ons werkelijk toegepast recht vergelijkt met de buitenlandsche wet, niet met het recht, dat rechtspraak en gewoonte van de wet hebben gemaakt. Zoozeer zit de leer: de wet is de eenige rechtsbron, den juristen in het bloed, althans den Nederlandschen. In Frankrijk is het anders. Daar is men zich van de groote beteekenis der rechtspraak voor het rechtsleven volkomen bewust.

24

One may find this case law regrettable and be convinced that this is a technically incorrect interpretation of the law. However, it must be recognized that the view has become so well established that it can no longer be ignored and that it is impossible to suffice in a description of our divorce law with a summary of the legal grounds and the addition that divorce by mutual agreement is not allowed. It is clear that the actual law cannot be deduced from the law alone. How difficult it is to keep this truth in mind becomes apparent from the explanatory notes to the bill that Minister Regout submitted at the time to put an end to what he also believed to be an abuse of jurisprudence. In this bill he recalled the fact that the case law of the Supreme Court was generally accepted, but when he appealed to foreign countries in support of what he proposed, he described the law applicable there on the basis of merely the codified law and neglected to take into account that also in France, for example, through detours a practice is realized, which the legislator forbids i.e., divorce by mutual consent. The memorandum stated that what applies by law in the Netherlands does not apply anywhere else. In doing so, the minister compared our actually applied law with codified foreign law and not with the law that jurisprudence and custom in these countries base on their codified law. This shows how the doctrine that the codified law is the only source of law is in the blood of lawyers, at least Dutch lawyers. In France it is different. There they are fully aware of the great significance of the judiciary for legal life.

25

   Ik heb een enkel bijzonder sprekend voorbeeld gegeven om aan te toonen hoe men het levende werkelijke recht niet enkel uit de wet kan kennen, hoe daarvoor ook de jurisprudentie een nimmer te verwaarloozen bron is. Een enkel voorbeeld — er zouden er zeer vele aan toegevoegd kunnen worden. Voor den jurist zou dit echter onnoodig, voor den leek langwijlig zijn. Ik hoop met het weinige, dat ik aanvoerde, te kunnen volstaan om te doen zien, dat wie het recht wil kennen, zich niet tot bestudeering der wet mag bepalen, maar heeft na te gaan, wat rechtspraak en administratie, wat vooral de aan het recht onderworpenen zelf van de wet hebben gemaakt. Het recht een reëel verschijnsel, een macht in de samenleving — daarop wordt weer de nadruk gelegd. En gelijk zooeven ook hier: verplaatsing van het zwaartepunt voor het wetenschappelijk onderzoek, verandering ook van de waar-deering van de wet. Voor de wetenschap niet de beschrijving en systematiseering van abstracte regels, maar het onderzoek der feiten van een bijzondere zijde der samenleving zelve, de rijke werkelijkheid, niet de droge abstractie. Wie eenmaal van dit levend water geproefd heeft, verlangt niet meer terug naar de dorre streek waar enkel het begrip heerscht. En de wet niet meer de norm, die gehoorzaamheid eischt, maar de samenvatting van wat in de werkelijkheid geschiedt — waarvan het vooral belangrijk is na te gaan, in hoeverre die samenvatting aan de werkelijkheid blijft beantwoorden. Het is wel een ander aspect. {132}

25

   I have given a few striking examples to show how one cannot know the living real law from the codified law alone and how jurisprudence is a source that can never be neglected. Many more examples could be added. For the lawyer this is not necessary and for the layman it would be boring. I hope that what little I have put forward will suffice to make it clear that anyone who wants to know what the applicable law is cannot limit themselves to studying the codified law. It is necessary to examine what has been made of the law not only by the judiciary and administration, but above all also by the citizens subject to the law. Law is a real phenomenon. It represents a power in society and this is again emphasized today. It concerns a shift in the center of gravity for legal research, a change in the understanding of the meaning of the law. Science will no longer focus on the description and systematization of abstract rules, but on actual research into concrete aspects of society, on the rich reality and not on dry abstraction. Once one has tasted this living water, one no longer longs for the barren region where the concept reigns. The law is then no longer the norm that demands obedience, but the summary of what happens in reality. It is then especially important to check to what extent the summary given in the law continues to correspond to reality, while at the same time it does not coincide with it.9

26

§ 3 Sociologische rechtsbeschouwing.

   De beide stroomingen in de nieuwere rechtswetenschap, die ik met enkele aanduidingen trachtte te teekenen, komen in één ding overeen: recht en wet zijn niet identiek, het recht is voor beide nog iets anders dan een stel regels, die van zekere autoriteit gezag hebben gekregen, voor geen van beide kan de rechtswetenschap met een beschrijving en systematiseering dier regels volstaan. Voor geen van beide opvattingen maakt de wetgever alleen het recht. Maar overigens verschillen zij wèl. Er spreekt tweeërlei beschouwingswijze van het recht in. De eene ziet het recht als idee, als richtsnoer voor handelen en taak, die behoort te worden vervuld, — de andere als verschijnsel, als een bijzondere verhouding tusschen menschen, waardoor de een macht over den ander uitoefent. Voor de eerste is de formuleering door de wet een poging die idee te grijpen, — voor de tweede een beschrijving van wat geschiedt. Voor de eerste is de wetenschap van het recht een normatieve wetenschap, zij zoekt naar regelen voor wat de menschen behooren te doen, zij waardeert daartoe de doeleinden, die zij zich stellen — voor de ander is zij een onderdeel der sociologie, die een bepaalde zijde der menschelijke samenleving beschrijft. Iedere vraag van recht kan van deze beide zijden worden beschouwd.

26

§ 3 Sociological view of law

-X-The two directions in recent legal science, which I outlined above with some examples, agree on one point: law and codified law are not identical. For both, law is more than a set of rules, to which authority is conferred by a particular authority. In the view of neither direction, legal science can suffice with a description and systematization of codified rules. According to neither view, law is solely made by the legislator. But otherwise both directions are clearly different. They represent two different visions of law. One view sees law as an idea, that is, as a guideline for action and a task to be fulfilled. The other view sees law as a phenomenon, that is, as a relationship between people, through which one exercises power over the other. In the first view the formulation of the law is an attempt to describe the legal idea, in the second view the law describes something that happens. In the first view, the science of law is a normative science, which searches rules for what people should do and which values the goals that people pursue. In the other view, legal science is part of sociology and describes the legal aspect of human society. Any legal issue can be considered in these two ways.

27

Stel men werpt de vraag op of een beslissing van den hoogsten rechter, den Hoogen Raad, de lagere colleges bindt, de vraag naar de kracht van “het precedent”. Wie de vraag opvat in den zin der normatieve beschouwingswijze zal nagaan of naar de wet, of naar ongeschreven recht, of naar welke rechtsbron ook, de rechter den Hoogen Raad moet volgen. Wie sociologisch te werk gaat, speurt den invloed na, dien de uitspraken van den Hoogen Raad op lagere colleges gehad hebben. Vraagt men, of de gewoonte een wet afschaft, de eerste opvatting tracht de verhouding tusschen beide naar regels omtrent wat behoort te bepalen, de tweede ziet rond of feitelijk door gewoonte wetten buiten gebruik zijn gesteld. Op een of ander punt heeft zich een rechtsleer gevormd, die algemeen door rechters en auteurs als de ware wordt beschouwd, en in de practijk gehandhaafd, men noemt zulk een leer de ,,heerschende”, de sociologische jurist constateert dit en aanvaardt de leer reeds daarom als recht — wie in het recht de norm ziet, zal zich gedwongen zien haar ook zijnerzijds aan wat naar zijn oordeel bron van recht is te toetsen. Is het resultaat ongunstig, hij ontkent het rechtskarakter, al mogen ook nog zoovelen anders hebben beslist.

27

Suppose one wonders whether a decision of the highest court, the Supreme Court, binds the lower courts, i.e., asks about the meaning of a precedent. The person who answers this question from a normative point of view will examine whether the judge should follow the Supreme Court according to the law, to unwritten law, or to any other source of law. From a sociological point of view, however, it will be examined what influence the judgments of the Supreme Court have on lower courts. When asking whether a custom makes the law inoperative, one will try to determine from the normative view what the relationship between custom and law should be, while from the sociological point of view it will be examined whether it actually occurs that laws are overruled by habits. A legal doctrine may have developed on a particular issue, which is generally accepted as correct by judges and authors, and which is maintained in practice. One speaks then of a prevailing doctrine. A sociological jurist will not only establish the existence of such a prevailing doctrine, but will conclude that it is therefore legally valid, while the person who sees the legal rule as a norm is forced to test the doctrine against what he believes to be a true source of law. If he then comes to the conclusion that the prevailing doctrine is incorrect, it cannot be accepted as valid law by him, no matter how many others have decided otherwise.

28

   Nu ligt de zaak niet zoo, dat de eene jurist deze, de andere die methode volgt — ieder, die recht handhaaft of toepast of er over schrijft, ieder wiens handelen voor de rechtswerkelijkheid van belang is, gebruikt beide methoden door elkaar — al zal uit den aard der zaak de een meer dan de ander geneigd zijn het hoofd {133}te buigen voor het fait accompli, ook in het rechtsleven. Aan het dualisme onttrekt niemand zich.
   De vraag is echter of men niet verplicht zou zijn dit wel te doen. Of niet een der beide methoden boven de andere zou moeten worden verkozen en dan consequent doorgevoerd. Het is voor beide beweerd. De vraag, in hoeverre van uit de normatieve opvatting van het recht rekening gehouden moet worden met wat feitelijk als recht wordt gevolgd en gehandhaafd, bewaar ik nog even, eerst heb ik nog stil te staan bij hen, die de sociologische beschouwing voor de eenig mogelijke, althans voor de eenig wetenschappelijke houden. Voor hen is de wet de uitdrukking van machtsverhoudingen, de rechtswetenschap beschrijving van een bepaalde zijde der samenleving. Houden wij ons aanvankelijk met dit laatste bezig. Eerst door enkel te letten op wat gebeurt zou de rechtswetenschap zich tot een tak der natuurwetenschap verheffen, iets wat velen ondanks Rickert nog altijd als het hoogste door een wetenschap te bereiken ideaal beschouwen.

28

   It is not the case, however, that one jurist follows the normative approach and the other the sociological one. Anyone who enforces, applies or writes about law, anyone whose actions are relevant to the reality of law, uses both methods interchangeably. Of course, some will be more inclined than others to bow their head to reality, also in legal life. However, no one escapes the existing dualism.10
   The question is, however, whether one would not be obliged to choose one of the two methods over the other and then implement it consistently. This has been defended for both views. The question to what extent, from the normative view of law, account must be taken of what is actually followed and enforced as law, will be discussed in more detail below. I shall first dwell on the conception of those who consider the sociological view the only possible, at least the only scientific one. For them, the codified law is the expression of power relations, while legal science provides a description of the legal side of society. With regard to the description they believe that only if legal science takes merely into account what happens it will rise to a branch of natural science and this is – despite Rickert
11what many still see as the highest ideal achievable by science.

29

Er zijn vele juristen — en waarlijk niet onder de minst-beteekenende — die in den laatsten tijd deze opvatting hebben verdedigd, zoo in Frankrijk als in Duitschland vindt zij aanhang. Zij wordt daar als geheel-nieuw beschouwd, wij mogen daartegenover er aan herinneren, dat soortgelijke gedachtengang ten onzent bij den voor eenige jaren overleden hoogleraar Hamaker is te vinden. Wanneer deze schrijft1: “Gelijk de natuurwet de formule is, waarin we uitdrukking geven aan ons besef van de opeenvolging van het verband der verschijnselen, zoo is de rechtsregel uiting van ons door ervaring verkregen inzicht in de opeenvolging en het verband van de handelingen der menschen in hunne verhouding tegenover elkander” is het dezelfde ontkenning van het normatieve van het recht, die bij de nieuwere sociologen zoo naar voren wordt gebracht. Het is het naturalisme in de rechtswetenschap.
   Tegen dit naturalisme kan worden aangevoerd wat tegen elk naturalisme geldt. Van zulk een principieele bestrijding zal ik mij onthouden. Het is hier daartoe de plaats niet. Ik kan dit te eerder doen, omdat hier staat levensbeschouwing tegenover levensbeschouwing, een strijd waarin wij kiezen kunnen en naar mijn meening kiezen moeten, maar waarbij wij elkander niet van de onjuistheid van wat wij bestrijden kunnen overtuigen.

29

-Many lawyers—certainly not the least eminent ones—have recently defended this view. The view has strong support in both France and Germany and is considered entirely new there. However, we would like to recall that a similar line of thought has already been defended in the Netherlands by Professor Hamaker, who passed away a few years ago. The quote below shows exactly the same denial of the normative nature of law, which can also be found in the works later sociologists and which can be characterized as naturalism in legal science. Just as the laws of nature contain the formulas in which we express our sense of the succession of the connections between phenomena, so the rule of law is the expression of experiences resulting in an insight in the succession and connections of the actions of people in their relationship to each other.12
    I will refrain from a principled fight against the naturalist view, which is expressed in this quote. That is not the issue here and it also makes no sense, because we are dealing here with two different opposing philosophies of life. This creates a struggle in which we can choose one of the two and in which such a choice is also necessary in my view. But we will not be able to convince each other of the incorrectness of the choice we reject.
13

30

Wie meent, dat door een beschrijving van gewoonten en gebruiken, van de machtsmiddelen, waardoor wat met die gewoonten in botsing komt, wordt onderdrukt en van de meeningen van hen, die de macht uitoefenen of ondergaan, van het recht alles is gezegd, dat er geen mogelijkheid is tot toetsing of waardeering van dit verschijnsel, omdat een maatstaf zou ontbreken, stelt recht met macht gelijk. Hij leidt wat be{134}hoort te geschieden af enkel van wat geschiedt, wat sinds Kant wel als de methodische fout in zaken van ethiek geldt. Trouwens reeds een der oude Romeinsche juristen (Proculus) leerde: Non spectandum est quid Romae factum est quam quid fieri debeat (D. I, 18,12). Het loopt uit op de ontkenning van het behooren, den plicht zelf, althans van zijne eigen waarde. Voor wien die waarde een primair gegeven is, waaraan niet valt te tornen, is die leer niet te accepteeren. Maar gelijk gezegd, ik zal hierop niet nader ingaan. Voor mijn doel kan ik mij tot de uiteenzetting van een enkel punt bepalen. Het schijnt mij namelijk, dat een beschrijving van recht, die niet meer zou zijn dan een beschrijving van wat feitelijk geschiedt, niet kan gegeven worden en dat iedere poging daartoe altijd weer in meerdere of mindere mate den invloed ondergaat van het oordeel van den schrijver over hetgeen behoort te geschieden. Waarlijke objectiviteit is hier onmogelijk. De beschrijving vindt een aanvulling in een zij het ook verholen erkenning van het normatieve. Dit verdient eenige toelichting.

30

It may be considered that all that can be said about justice has been said when a description has been given of the customs and practices prevailing in a place, and of the means of power by which the behavior that clashes with those customs is suppressed, and when finally a report is made of the views of those who exercise or undergo power. It is then assumed that there is no possibility to test or value these phenomena, because there is no standard for this. This means that power and law are equated. What should happen is then completely inferred from what happens. Since Kant this has been regarded as the methodical error in the field of ethics. By the way, one of the ancient Roman jurists (Proculus) already taught that one should pay attention not so much to what was done in Rome, but more to what should be done.14 The rejection of the possibility of valuing phenomena results in a denial of the ought, that is, a denial of the concept of duty as representing a worth all of its own. For those for whom that value is a primary fact, which cannot be tampered with, this teaching cannot be accepted. But as I said, I won’t go into this. From my perspective I can confine myself to explaining a single point. In my view it is impossible to give a description of the applicable law which is nothing else than description of what actually happens. Any attempt to give a purely factual description will always be influenced to a greater or lesser degree by what according to the author should be done. True objectivity is impossible at this point.15 A description is inevitably supplemented by an unspoken recognition of the normative, as will be elaborated below in more detail.

31

   In iedere beschrijving ligt een waardeering. Wie beschrijft kiest uit de talrijke verschijnsels, die zich aan hem voordoen. Het is hem niet mogelijk en het zou voor hem geen nut hebben deze alle weer te geven, hij schift het voor hem belangrijke van het niet belangrijke. Daarvoor moet hij een maatstaf gebruiken, die hem door de stof zelve, die hij bewerkt, niet wordt gegeven. Is dit in het algemeen reeds waar, nog in geheel anderen zin geldt voor de sociologie, dat in beschrijving waardeering ligt. De auteur staat niet onverschillig tegenover zijn stof, het is hem niet hetzelfde hoe deze is — hij moge zich nog zoo voorhouden, dat het hem enkel om begrijpen, niet om liefhebben of haten, goed- of afkeuren te doen is, hij kàn er niet buiten blijven. De stof toch, die hij beschrijft, wordt mede, zij het ook voor een nog zoo klein deel, door hem zelf gevormd — hij kan op de inrichting der samenleving invloed hebben. Door haar te beschrijven toont hij immers ook wat hij haar gebreken acht en wekt hij, ook al zijn alle propagandistische bedoelingen hem vreemd, de begeerte tot verandering, verbetering in zijn richting. Aan den invloed dezer omstandigheid onttrekt niemand zich. Vandaar dat er nimmer een sociologie gegeven is, die niet uitging van een bepaalde levensopvatting, een voorop gesteld levensideaal.

31

   In every description there is an appreciation. Since it is not possible and would be useless to reproduce everything, a description always makes a choice from the numerous phenomena that occur. The important must be distinguished from the unimportant, and this requires a yardstick that cannot be inferred from the material that is observed and processed. In addition, in a completely different way and specific to sociology, the description expresses also another kind of appreciation. The author is not indifferent to what is described. It concerns him how this functions and however much he may tell himself that making a description is only about understanding and that it does not matter what he likes or dislikes, what he approves – or disapprove, he will still not be able to avoid that form of appreciation. What an author describes is partly formed by himself, even if only for a small part. He can use his description to influence the structure of society. After all, the author shows what he believes to be the shortcomings of society and with this he will arouse the desire to change and improve society in the ways he suggests, even though basically he has no propagandistic intentions. No one can escape these kinds of influences. That is why there is no sociology that is free from a specific conception of life or a preconceived ideal of life.16

32

Schijnbaar wordt streng wetenschappelijk beschreven wat men heeft waargenomen, schijnbaar verdwijnt de auteur achter zijn stof, de stof dwingt hem tot zijne resultaten en hij zelf is er niet in gemoeid. In waarheid vindt de socioloog — voorzoover het meer betreft dan enkel het verband tusschen bepaalde feiten, voorzoover hij “wetten” ontdekt, “beginselen” waarnaar de maatschappij zich beweegt, — niets anders dan zijn bezit reeds was, toen hij tot zijn onderzoek uittoog. Hij had dien grondslag, die voor hem fundamenteele waarheid reeds intuïtief aanschouwd, zij was een deel van zijn persoonlijkheid, uitvloeisel {135}van zijn begeeren en willen •— van haar licht vervuld ging hij de maatschappij onderzoeken en hij vond haar weer, alles bevestigde haar, elk onderzoek, elke naspeuring gaf nieuwe feiten om haar steviger te schragen. En de zoeker vergeet, dat hij het is, die de feiten van zijn waarheid vervult, hij meent omgekeerd, dat de feiten hem die waarheid opdringen.

32

Apparently what has been observed is described strictly scientifically, the observation appears to be impersonal and neutral and reflecting nothing else than what has been observed. In truth, however, in so far as the sociologist does not merely indicate a connection between certain facts, but discovers “laws” and principles that explain social developments, he finds nothing other than what he already assumed when he began his research. Before starting his research, the sociologist already has an intuitive insight into what he believes is fundamental to social life. That fundamental truth is part of his personality17 and is an outgrowth of what he desires and wants. Filled with this light, he starts to investigate society and he sees it reflected in everything, everything confirms it, every research, every investigation yields new facts that support it more firmly. And the researcher thus forgets that it is he who imbues the facts with his truth. Conversely, he thinks that the facts force that truth on him.

33

   Zeer sterk is dit alles aan de Marxistische sociaal-democratie te zien. Het is bekend, dat zij de productiewijze tot grondslag der geheele samenleving maakt, dat recht, kunst, moraal, godsdienst en wat zij meer ,,ideologiën” noemt door dezen grondslag in laatste instantie zijn bepaald, ook, dat met behulp dezer methode dan “bewezen” wordt, dat de tegenwoordige, kapitalistische maatschappij bezig is een socialistische voor te bereiden. Met de noodzakelijkheid van een natuurwet moet de “omslag”, de verwezenlijking van het socialisme, komen. Is het nu niet uiterst merkwaardig, dat deze wetenschappelijk opgebouwde leer juist leidt tot verwezenlijking van dat resultaat, dat haar aanhangers zoo vurig begeeren, waarvoor zij met alle kracht, die in hen is, strijden? en waarvoor de opstellers der methode, Marx en Engels, den strijd reeds begonnen waren, voor zij hunne theorie vormden? Is dat vooral niet merkwaardig in een leer, die een ontwikkelingsleer wil zijn, maar die de ontwikkeling doet eindigen — o wonderlijke tegenstrijdigheid — en dat op het tijdstip, dat hetzelfde ideaal is bereikt, dat het socialisme had, eeuwen vóór het van “utopie” tot “wetenschap” verheven werd?

33

   All this can be seen very clearly in Marxist social democracy. As is known, in this view it is assumed that the mode of production is the foundation of all society and that law, art, morality, religion and furthermore the so-called “ideologies” are ultimately determined by this mode of production. In addition, it is believed that this analysis “proves” that the present capitalist society is preparing a socialist one. With the necessity of a natural law, the “turnaround” will come and socialism will be realized. Isn’t it very striking that this scientifically constructed doctrine leads precisely to the realization of the result which its adherents so ardently desire and for which they struggle with all the strength that is in them? The authors of the new scientific analysis, Marx and Engels, had already started the battle before developing their theory. Isn’t the latter especially striking in view of a doctrine which wishes to describe a development, but at the same time foretells the end of that development, namely — oh wonderful contradiction — at the time when the ideal has been reached, which socialism had defended for centuries, before it was elevated from “utopia” to “science”?

34

Is niet veeleer voor Marx de absolute waarde van het proletariaat, de noodzakelijkheid van de economische opheffing van den arbeider het primaire gegeven, waarvan hij uitgaat in zijn wetenschappelijk werk evengoed als in zijn propaganda? Het historisch materialisme is niets anders dan de kijk op de geschiedenis van hem voor wien de strijd voor het proletariaat alles is, een waarde door geen enkele overtroffen. Vandaar dat ieder, die dien strijd meestrijdt met zijn volle hart, er naar grijpt, hier ligt de verklaring van het zoo moeilijk verstaanbare feit, hoe zelfs sterke en diepe geesten in deze beschouwingswijze vrede hebben kunnen vinden. De strijd voor het proletariaat heeft hen meegenomen ,— al het andere heeft enkel waarde voorzoover het dien strijd dient, het moet van daar uit worden bezien. Men stelt het voor, alsof men voor een ideaal strijdt, omdat het de verwezenlijking is van wat wetenschappelijk onderzoek als het noodzakelijk verloop van de maatschappij aanwijst. Maar nog nimmer heeft iemand zijn leven gegeven voor de verwerkelijking van een toestand — die zonder dat toch moét intreden — alleen omdat men van de noodzakelijkheid van dat verloop is overtuigd. Men strijdt voor wat men wil, begeert, liefheeft.

34

Isn’t Marx’s primary aim in his scientific work and in his propaganda to make the value of the proletariat absolute and to show that the economic upliftment of the worker is necessary? Historical materialism is nothing more than the view on history of someone for whom the struggle for the proletariat represents a value that cannot be surpassed by anything. That is why this view is adhered to by everyone who takes part in that struggle with heart and soul. Herein lies the explanation for the hard-to-understand fact that even strong and deep minds have been able to find peace in this way of thinking. They have let themselves be carried away by the struggle for the proletariat. Everything else has value only insofar as it contributes to that struggle and is judged in relation to that struggle. They pretend to fight for an ideal, because according to scientific insight this will be the result of a necessary social development. But no one has ever given his life for the realization of a condition because it will be the result of a necessary development and will therefore also occur without struggle. People will only fight for what they want, desire or love.

35

Niet het wetenschappelijke resultaat was het primaire en de strijd gevolg, maar de strijd, de overtuiging dat het socialisme behoort te komen, dat men het wilde en eischte stond voorop en de theorie was het wetenschappe-pagina-136lijk steunsel, dat ieder zoo graag aangrijpt en dat men vooral in de 19e eeuw meende niet te kunnen missen. Niet de wetenschap bepaalt het willen en wenschen, maar wil en wensch, overtuiging van wat moet en behoort, beïnvloeden het wetenschappelijk oordeel.
   Is dat bij Marx in zeer sterke mate het geval geweest — hoe zou het ook anders bij den man die de groote beweging der sociaaldemocratie gemaakt heeft, dat doet men waarlijk niet met kleurlooze theorieën — het geldt van iederen socioloog. De Weener hoogleeraar Menzel heeft voor eenige jaren in een brochure aangetoond, hoe in iedere sociologie een goede dosis natuurrecht zit. Zelfs voor hen, die zich bepalen tot het constateeren van een “ontwikkeling” in de maatschappij is dat waar. Ontwikkelen toch is altijd een veranderen van lager naar hooger, van minder naar beter, het gaat in een richting, wijst op een doel. De feiten alleen geven niet meer dan de verandering; de richting waarin zij gaat stemt altijd wonderwel overeen met wat de overtuiging van den onderzoeker verlangt.

35

It was not the scientific result that was primary and the struggle a consequence, but the struggle was paramount, that is, the conviction that socialism should come, that it was wanted and demanded. The theory was only the scientific support that everyone is so fond of using and which people thought they could not do without, especially in the nineteenth century. However, science does not determine wanting and wishing. On the contrary, scientific judgment is influenced by will and desire, that is, by the conviction of what should and ought to be.
   With Marx this has been the case to a very great extent. That is inevitable with a man who has turned social democracy into a major movement. Such a thing is truly not done with colorless theories. The same is true for any sociologist. A few years ago, the Viennese professor Menzel showed in a brochure how every sociology contains a good dose of natural law.
18 This is true even for sociologists, who limit themselves to merely observing a “development” in society. The concept of development always implies that it involves a change from lower to higher, from less to better, in a certain direction, with a view to an end. The facts alone show only a change. The direction in which that change is supposed to go always agrees wonderfully with what the persuasion of the researcher desires.

36

   Geldt dit in het algemeen voor iedere sociologie, iedere maatschappij-beschrijving en dus ook voor de beschrijving, die speciaal het maatschappelijk verschijnsel van het recht tot object kiest, is reeds daarom een kleurlooze rechtssociologie onmogelijk, bij de laatste zijn er nog bijzondere omstandigheden, die meer dan elders persoonlijke overtuigingen doen meespreken in het wetenschappelijk werk. Hier zullen niet alleen de algemeene grondslag van het werk. de richting waarin het gaat, de hoofdbeginselen en wetten dien bijzonderen stempel dragen — hier zal bovendien telkens in de details de overtuiging van den auteur omtrent hetgeen behoort te geschieden door zijn beschrijving van het in werkelijkheid gevolgde recht heen stralen.
   Immers, wat wordt beschreven? niet enkel de gewoonten, niet enkel de opeenvolging van gebeurtenissen, het gaat om recht, al is het dan ongeschreven recht. Men kan niet volstaan met te zeggen: zóó en zóó doen de menschen en dit of dat geschiedt indien zij anders handelen. Men moet er bij constateeren dat die handelingen geschieden met-, uiting zijn van de overtuiging dat zoo gehandeld behoort te worden. Hoe anders gewoonten, zeden van gewoonterec/if te onderscheiden? In de handelingen dus is het volgen van regels, normen te constateeren. De jurist heeft dan eerst zijn wetenschappelijke beschrijvings-taak volbracht, als hij uit de feiten den regel heeft ingelicht, als hij de veelheid van feiten als verschijningen van die ééne norm vermag te zien. En nu ondergaat dit werk stellig in hooge mate den invloed van eigen overtuiging van den arbeider. Dit blijkt duidelijk als men let op het verschil, dat ten deze bestaat tusschen de beschrijving van het recht van vroeger tijd of van een vreemd volk en dat van eigen land en eigen tijd. pagina-137

36

   This applies in general to every sociology and every description of society. It also applies to a social description, which chooses the phenomenon of law as its object. A neutral legal- sociological description is therefore impossible. In sociology of law, however, there are also specific circumstances that mean that the personal convictions of the researcher play a more important role in scientific work here than elsewhere. Here it is not only the general design of the research, its direction, the main principles and the laws that bear this personal stamp, but the author’s conviction of what should be done will permeate the details of his description of the law actually implemented.
   After all, what is being described? Not just the habits, not just the sequence of events, because it is about law, even if it is unwritten law. It is not enough to say: so and so people normally do and this or that happens when they act differently. It should be clear that those actions are done with and are an expression of the belief that such actions should be taken. How else can one distinguish between habits and social use on the one hand and customary law on the other? The researcher must infer compliance with the rules or standards from actions. The jurist has only completed his scientific description task when he has extracted the rule from the facts, when he is able to see the multiplicity of facts as different manifestations of that one norm. And this work is certainly heavily influenced by the researcher’s own convictions. This is evident if one notices the difference that there is on this point between a description of the law of the past, or of a foreign people, and that of one’s own country and time.{137}

37

   De rechtshistoricus staat niet veel anders tot zijn stof als ieder geschiedschrijver. Uit wat hij vertelt is zijn kijk op het wereldgebeuren te zien, in de hoofdlijnen, in de wijze waarop de materie wordt aangevat zit het persoonlijke. Hij kan het recht niet beschrijven zonder reeds van een denkbeeld van recht uit te gaan en daarnaar zijn stof te ordenen. Is zijn doel, zooals bij rechts-historie zoo vaak, het zoeken naar een les voor het heden .— zijn beschouwing over wat hij als recht erkent zal in die les teruggevonden worden. Maar in het beschrijven van de details kan hij zoo objectief zijn, als een mensch maar mogelijk is. De stof interesseert hem, raakt hem enkel als wetenschappelijk man, als subject van willen en wenschen staat hij buiten haar. Hij zal zich met pijnlijke nauwgezetheid er op toeleggen af te beelden, enkel maar af te beelden — vooral alles wat van hem zelf zou zijn er buiten te houden. Juist dit hebben nieuwere beschouwingen weer beter doen inzien. Wie den geest van vroeger tijden wil beluisteren zal goed doen, ook in het rechtsleven, zelf zoo stil mogelijk te zijn, geduldig aan te hooren wat de oude documenten hem zeggen van de rechtsopvattingen van toen, zonder zich af te vragen of hij met die opvattingen nu juist instemt, zonder zich af te vragen ook, of de menschen van toen, zelfs naar wat zij zelf als rechtsbron erkenden, wellicht anders hadden behooren te beslissen.

37

   The relationship between the legal historian and the subject of his research is the same as with any other historian. What the historian writes shows his vision of world events. His personal point of view is reflected in the outline and in the way in which the facts are presented. He cannot describe law without already having an idea of ​​law and using it in arranging his material. If the legal historian, as often happens, focuses on emphasizing relevance for the present, his view of what should be recognized as law inevitably comes to the fore. Yet, in describing the details, the legal historian can be as objective as possible for a human being. The material only interests him as a scientist. His research serves no personal interest. He will apply himself with painful rigor to portray as faithfully as possible and to be as neutral as possible. Recent literature has re-emphasized the importance of such a neutral description. Anyone who wants to know the spirit of the past would do well to be as quiet as possible, also when it comes to legal life, and to examine patiently what the old documents have to say about the legal views of that time, without wondering to ask whether he agrees with those views and whether the people of that time, even according to what they themselves recognized as a source of law, should perhaps have decided differently.

38

Het zwaartepunt voor den historicus ligt niet in de norm, ook niet al is die in de formuleering, die vroeger tijd er aan gaf bewaard gebleven, maar in wat van de norm in de practijk werd. Vraagt men b.v. naar den invloed van het Romeinsche recht in onze republiek der 17e of 18e eeuw, dan is het zeker niet geheel zonder belang na te gaan, wat plakkaten en keuren daaromtrent inhouden, maar de hoofdzaak is toch, wat rechtspraak en practijk deed. Het eerste is eigenlijk meer van beteekenis voor de vraag, hoe rechters en justiciabelen zich tegenover de wet gedroegen dan voor onze vraag naar de beteekenis van het Romeinsche recht. Wat baat het of wij nu al uitmaken, dat de rechtscolleges van toen dat recht niet hadden behoeven te volgen, indien zij het nu eenmaal toch gedaan hebben? Gedane zaken nemen geen keer. Dit is niet altijd in het oog gehouden. Ook niet wanneer men den rechtsregel losmaakte van den tijd waarvoor hij geschreven was en b.v. ging uitvisschen, hoe moderne verhoudingen nu naar Romeinsch recht, beoordeeld moesten worden. Als Spielerei misschien niet onaardig, maar stellig niet meer dan Spielerei, zonder eenige wetenschappelijke waarde. En het was niet zonder gevaar ook •— men vergat, dat het rechtsvoorschrift altijd de regeling is van een bepaalden concreten toestand van een bepaalde natie in bepaalden tijd en ging waarde boven den tijd toekennen aan wat enkel voor een zeker tijdvak beteekenis had. Men vergat ook den samenhang van het recht met maatschappelijke toestanden, met de geheele cultuur.

38

For the historian, the focus is not on the norm, even though it has been preserved in the old formulation, but on the way in which the norm has been implemented in practice. If, for example, one investigates the influence of Roman law in the Dutch republic of the 17th or 18th century, it is indeed important to find out what is stated in this regard in bills and ordinances, but the main thing is what happened in case law and practice. Studying those bills and ordinances is more important for the question of how judges and litigants behaved towards the codified law at the time than for the question of the influence of Roman law. What difference does it make if, in the opinion of today, the courts of that time were not obliged to comply with that law, if they did? It’s no use crying over spilled milk. This point has often been overlooked, such as when rules of Roman law were separated from the time for which they were written and people began to wonder how modern relations could be judged according to Roman law. Something like that might be nice, but it’s just gimmick without any scientific significance. Such a thing is also not without danger, because people forgot that a legal provision is always the regulation of a certain concrete situation of a certain nation at a certain time and people started to assign universal supratemporal value to something that only had meaning for a specific time. In this way people became blind to the relation of law with social conditions and with culture as a whole.

39

Dit alles heeft de rechtshistoricus te bedenken. De rechtshistoricus {138}heeft vóór alles historicus te zijn. Het geduldig opnemen, afwachtend wat hem wordt gebracht, met een belangstelling, die naar niets anders streeft dan naar weten — dat is de taak, die hem in de eerste plaats is opgelegd.
   Voor den jurist, die spreekt over het recht van eigen land en eigen tijd, over zijn eigen recht, is zulk een houding onmogelijk. Hij kan zelf ieder oogenblik in een verhouding betrokken worden als die waarvan hij de regeling beschrijft. Zou hij dan ook zoo moeten handelen? zou men dat van hem mogen eischen? hem dit kunnen aandoen? het zijn vragen die zich bij hem opdringen onder zijn arbeid. Denkt men, dat die hem onverschillig kunnen zijn, dat hij er enkel maar wetenschappelijke belangstelling voor kan hebben? Tua res agitur roept ieder vraagstuk, dat hij aanroert, hem toe. En als hij zelf al niet in dergelijke verhouding betrokken kan worden, omdat hij het b.v. heeft over een regeling voor een bepaald beroep, of bedrijf, waartoe hij niet hoort, gaat het hem dan niet aan hoe het recht is in zijn land? Kan hem dat koud laten? Ja er zijn menschen, wien dat inderdaad onverschillig schijnt te zijn, maar juist deze menschen zijn voor den arbeid van rechtsbeschrijving volkomen ongeschikt en dezen zullen zich er ook niet aan zetten. Maar kan wien dat wel ter harte gaat, zich inderdaad bepalen tot waarnemen en veronderstellen zonder eigen oordeel mee te laten spreken? Wie dat meent, bedenke nog dit.

39

The legal historian must bear all this in mind. He must above all be a historian. His job is primarily to absorb everything patiently, to wait for the moment that something catches his eye, and to have an interest that aspires to nothing but knowledge.
   For the lawyer, who speaks of his own law, that is, the law of his own country and time, such an attitude is impossible. He himself may at any moment be faced with a relationship such as the one whose arrangement he describes. Would he act like that? Could that be demanded of him? Can you do this to him? These are questions that confront him during his work. Do you think that these questions will leave him indifferent and that he can only be interested in them scientifically? Every question he touches upon yells at him: This may also apply to you
19. And when, for example, he talks about a regulation for a certain profession or industry to which he does not belong, so that the rules themselves will not affect him directly, will it then be none of his business how the rules of his own country are? Is it possible that he not at all interested? There will be people who seem to be indifferent to that, but these people are completely unfit for making a description of law and will not try to do so. However, can the one who does take these rules to heart, limit himself to observing and explaining them and avoid allowing his own judgment to tune in? The one who believes this should consider the following.

40

Er zijn punten, waaromtrent men inderdaad met zekerheid zeggen kan: deze of gene regel wordt als recht gevolgd en gehandhaafd. Maar er zijn er ook, en niet zoo heel weinig, waar zulk een vaststaand gebruik niet is aan te wijzen, waar de rechtsovertuiging van den één staat tegenover die van den ander, de een houdt vol dat dit, de ander dat juist het omgekeerde niet alleen recht behoort te zijn, maar ook is. Wat zal de schrijver, die het recht wil kennen, doen? De historicus bepaalt zich tot een mededeeling van den twist; tot een definitieve oplossing is de vraag niet gekomen, zal het bij hem heeten. Maar de hedendaagsche jurist? Van hem verlangt men een antwoord wat recht is, zijn mededeeling: er zijn voorstanders van déze meening, zijn er ook die er anders over denken, zal worden beantwoord met de vraag: en gij? En denkt men dat hij, als hij een vaste meening heeft over de zaak, die niet reeds lang gezegd heeft? Zijn meening wordt als het recht verkondigd met de toevoeging ter wille van de wetenschappelijke nauwgezetheid, dat sommigen anders oordeelen. En voorts: in het hedendaagsche leven rijzen telkens weer nieuwe vragen, vragen, die zekere gelijkenis vertoonen met vroegere maar die toch niet met die andere identiek zijn. Ook voor zulke bestaat immers een recht. Hoe zal men dat door beschrijving vinden van wat de rechtspraak beslist, de administratie eerbiedigt en de massa van betrokkenen volgt. Hier is aan een regel behoefte, dien men door opeenhoping van feiten nimmer vindt, hoe vlijtig men ook moge zoeken. {139}

40

There are points where one can indeed say with certainty that a certain rule is followed and enforced as law. But there are also, and not so very few, where no such established usage can be identified and where the legal conviction of someone is opposed to that of somebody else. The one maintains that this, the other that just the opposite not only ought to be right, but also is right. What will the reporter, who wants to give a true description of law, do in such a case? The historian merely announces the difference of opinion. He will tell that a definitive solution to the question has not been reached. But what does today’s lawyer do? It is his task to tell what is right. If he were to say that there are supporters of a certain opinion and that there are also people who think otherwise, then he will be asked what he thinks himself. And does one really think that if he had a firm opinion on the matter, he would not have said it already long ago? His opinion would have been proclaimed as the existing law and for the sake of scientific rigor, he would have added that some judge otherwise. Moreover, nowadays, new questions arise over and over again, questions that are in some way similar to previous ones, yet not identical with them. The law has to answer such questions. How can one find such answers by describing the decisions of the judiciary or the rules, which are respected by the administration and followed by those involved. Here a rule is needed, which will never de found by gathering facts, however diligently one may search.

41

   Waarlijk een rechtswetenschap, die feiten, gewoonten en rechts-overtuigingen beschrijft en poogt niet anders te doen dan beschrijven, moge nuttig zijn — ik zal de eerste zijn om het te erkennen — maar de rechtswetenschap kan zij niet zijn. Het is eenzijdigheid als men haar de alleenheerschappij wil geven. Feiten kennen — goed, het recht verzamelen ook uit wat de realiteit toont — uitnemend, maar laat men niet meenen, dat daarmee nu ook alles is gezegd. Eenzijdige beschouwingen zijn vaak de nuttigste — alleen men behoort van tijd tot tijd te bedenken, dàt zij eenzijdig zijn. Het normatieve laat zich uit het recht niet verdrijven, stuur het de voordeur uit, het komt achter weer binnen.
   Nog een enkel woord over de opvatting der wet in dit verband. Wie in de wet enkel ziet de samenvatting van wat de practijk des levens leert, miskent, dat iedere wet niet enkel een verleden heeft, waaruit zij is ontstaan, ook een doel. Het is een levensregel, die uit zijn aard bedoelt handelingen der menschen te bepalen. Dat hem dat niet altijd gelukt, zij toegegeven. Ook dat het belangrijk werk kan zijn, na te gaan, in hoeverre een regel daarin wel is geslaagd. Het mag verder waar zijn, dat de beteekenis der wet voor de samenleving vaak is overschat, dat neemt niet weg, dat het niet meer dan apriorisme is als men aanneemt, dat die invloed altijd zal ontbreken. Naast onmachtige wetten zijn er ook aan te wijzen, wier werking op de samenleving niet kan worden tegengesproken. Eenerzijds resultaat van al bestaande gewoonten, kunnen zij anderzijds wegwijzers zijn naar de toekomst. Product van machtsverhouding is de wet tegelijkertijd norm voor menschelijk gedrag.

41

   A science of law, which gives a description of facts, customs and legal convictions and tries to limit itself to such a description can surely be really useful. I’ll be the first to acknowledge it. However, such a science cannot be the science of law. It shows one-sidedness if one wants to give a monopoly to this approach. Knowing facts is good and it is fine if one also wants to derive justice from what reality shows. But let’s not think that that’s all that can be said. One-sided considerations are often the most useful, if one remembers from time to time that they are one-sided. The normative cannot be expelled from the law, if one sends it out the front door, it enters again from behind.
   Just a word about the meaning of the written law in this regard. Those for whom the codified law merely establishes what is already practice in social life, misunderstands that every regulation has not only a past, from which it originated, but also a goal. It comprises a code of conduct, which by its very nature intends to determine the actions of people. It can be admitted that it is not always effective. It can also be important to check to what extent a rule succeeds in this respect. It may be that the significance of codified law for society has often been overestimated, but this does not alter the fact that it is biased to say that such influence will always be lacking. In addition to ineffective provisions, there are also provisions which have an unmistakable influence on society. Such provisions are on the one hand the result of existing customs, but on the other they function as signposts to the future. The law is product of power relations and at the same time norm for human behavior.

42

Het is een wijze les voor den wetgever, als hem het betrekkelijke van zijn macht wordt voorgehouden, als hem duidelijk wordt gemaakt, dat door verandering van wet het recht nog niet anders is geworden, dat het recht groeit en afsterft ook buiten zijn toedoen om. Maar nimmer zal men hem er toe kunnen brengen aan te nemen, dat zijn wil voor het recht zonder belang is. Moet al voor de wetenschap van het recht worden aangenomen, dat vaststelling van wat recht is nimmer geschiedt, dan beïnvloed door de overtuiging van hem, die dat werk verricht, over wat recht be-hoort te zijn, hoe veel te sterker zal dat gelden voor den wetgever, die zelfs niet tracht zich tot dat vastleggen van het feitelijk al bestaande te bepalen, wien integendeel de aard van zijn werk immer voor oogen roept, dat hij de machtshebber is die den regel maakt. Dringt bij het werk van den man van wetenschap wil en waardeering door het objectief waarnemen heen, hoeveel minder reden is er aan te nemen, dat de wetgever niets anders doet dan waarnemen en formuleeren, hij die meent te willen en te waardeeren en er opzettelijk naar streeft. Met de afwijzing der rechtswetenschap als enkel beschrijvend is ook de opvatting van den wetgever als niet meer dan samenvatter van bestaande gewoonten ter zijde gesteld. {140}
   De vraag blijft: Is het zijn willekeur, die over wat in de wet zal worden neergelegd beslist, of heeft ook hij te gehoorzamen aan een norm, die hij zoeken moet?

42

It is good to show the legislator the relative nature of his power and to make it clear to him that if he changes the written law this doesn’t imply that the unwritten law changes immediately as well, because the unwritten law can grow and die independently without legislative acts. One will never be able, however, to convince the legislator that his will is irrelevant with regard to law. What applies to the science of law, namely that the determination of what is law will always be influenced by the legal conviction of the person who performs that work, will apply even more strongly to the legislator, who does not try to limit himself establish the facts, but is constantly aware that he is called to be the one in power who makes the rules. If there can be no question of objective observation in the work of the man of science, because will and appreciation break through this, it is much less plausible to assume that the legislator would do nothing more than observe and formulate, now that the latter is precisely aiming at wanting and appreciating. By rejecting the possibility of a purely descriptive legal science, therefore also the view has been rejected that the legislator’s task is no more than summarizing existing customs.
   The question then remains whether it is arbitrary what is laid down in the law or whether the legislator also has to obey a norm and therefore has to find law.

43

§ 4 Rechtsvinding. Ideëele factoren.

   In den aanvang van onze beschouwingen hebben wij uiteengezet, dat er recht is ook buiten de wet en dat de rechter dat te vinden heeft. In den strijd om meerdere vrijheid van den rechter, dien wij daar beschreven, zal art. 1 van het Zwitsersche wetboek van 1907 altijd een merkwaardig moment blijven — merkwaardig vooral omdat het hier de wetgever zelf was, die weer open uitsprak, dat er recht is naast en buiten de wet. Geheel nieuw was dat niet,er waren oudere voorbeelden, maar deze hadden lang als verouderd gegolden, geen codificatie in de tweede helft der 19e eeuw zou zulk een voorschrift hebben bevat. Het is voor de strooming voor “vrijer” recht een overwinningsmoment geweest. “Das Gesetz — zoo luidt de bepaling findet auf alle Rechtsfragen Anwendung für die es nach Wortlaut oder Auslegung eine Be-stimmung enthält. Kann dem Gesetze keine Vorschrift entnommen werden, so soil der Richter nach Gewohnheitsrecht und, wo auch ein solches fehlt, nach der Regel entscheiden, die er als Gesetz-geber aufstellen würde. Er folgt dabei bewâhrter Lehre und Ueber-lieferung”.

43

§ 4 Finding law, ideal factors

   In §1, it has been explained that there is also law outside the codified law and that the judge must find it. In the struggle for greater freedom of the judge, which was described there, art. 1 of the Swiss Code of 1907 will always remain an important milestone, because here it was openly proclaimed by the legislator that there is law next to and outside the codified law. This was not entirely new, there were older examples, but these had long been considered obsolete. No codification in the second half of the 19th century had contained such a precept. The Swiss code has been a moment of victory for the movement for “freer” justice. Article 1 reads The law applies to all legal questions for which it is addressed in terms of formulation or interpretation. If no rule can be deduced from the law, the judge must decide according to customary law and, if there is not, he must decide according to the rule he would set as legislator. He then follows prevailing doctrine and tradition. (trans. lhc)20

44

Vooral op de cursieve woorden ligt de nadruk. Zij hebben een juichtoon ontlokt aan de velen, die zich tegen de traditioneele onderwerping van den rechter aan de wet verzetten. Zij kunnen echter ook nog van een andere zijde worden bezien. De rechter wordt op dezelfde hoogte gesteld als de wetgever, zeker. Maar kan men ongekeerd er niet evenzeer uit lezen: dat de wetgever soortgelijke taak heeft als de rechter? De rechter mag niet willekeurig te werk gaan, hij heeft recht te zoeken. Wie niet de wanhoopsconclusie wil aanvaarden, dat enkel de luim van een bepaald individu over goed of kwaad recht of onrecht beslist, twijfelt daar niet aan. De Zwitsersche wet draagt het hem uitdrukkelijk op. Indien hij krachtens bevel van den wetgever ,,vrij” recht toepast, (in gevallen als bedoeld boven op blz. 122), wanneer de wet een zaak aan zijn appreciatie overlaat, heeft hij een beslissing te geven “naar recht en billijkheid” (art. 4). Is zijn taak een andere als hij een leemte aanvult door den wetgever gelaten? Handelen naar den regel, dien de rechter op zoude stellen, indien hij wetgever was, beslissen naar recht en billijkheid, het is in de taal van het wetboek synoniem. Maar wijst dit er niet op, dat ook de wetgever recht zoekt? Als de rechter tot zekere hoogte wetgever is — is dan ook de wetgever niet in zeker opzicht rechter? rechter over strijdende belangen, die bij hem om hulp aankloppen? en geldt — wat overigens het verschil moge zijn — ook voor hem niet, dat er een maatstaf moet zijn, waarnaar hij recht? Is het beroemd geworden artikel, zóó beschouwd, niet mede daarom een mijlpaal {141}in de rechtsgeschiedenis, omdat weder de wetgever erkent, dat er een recht is ook voor hem?

44

The emphasis is mainly on the italicized words. Many who have opposed the traditional submission of the judge to the codified law have greeted them with cheers. However, these words can also be viewed from another angle. The judge is acknowledged as a legislator by them. That is certainly true. But can the text not also be read conversely i.e., that the legislator has the same kind of task as the judge? The judge must not proceed arbitrarily, he must seek the applicable law. Only those who, as an act of desperation, draw the conclusion that merely on the basis of the mood of a certain individual judge a decision is made about the good and the bad and right or wrong, doubts this. Swiss law expressly instructs the judge to seek the applicable law. If, by order of the legislator, a judge applies “free” law (in cases as described above in block 5), because the law leaves a case to his assessment, he must give a decision “in accordance with law and equity” (art. 4). When the judge fills a void in the law, his job is no different. To act according to the rule which the judge would have drawn up had he been a legislator is synonymous in the language of the code of law with deciding according to justice and equity. Doesn’t this indicate that also the legislator tries to find law? If the judge is a legislator to a certain extent, isn’t the legislator also a judge in a sense? Doesn’t it also apply to the legislator that he decides on the conflicting interests, which knock on his door for help? There may be differences between judge and legislator, but does it not in any case also apply to the legislator that there must be a standard by which he determines law? Viewed in this way, the now famous article of the Swiss code is also a milestone in legal history, because the legislator recognizes again that there is a law that binds him.

45

   Maàr — vraagt men wellicht — keeren wij zoo niet terug tot het natuurrecht? Ik wil zeggen, dat ik mij van een beschuldiging van natuurrechtelijke ketterij nu niet zoo heel veel zou aantrekken. Er is een tijd geweest, dat het wel het ernstigste verwijt scheen, dat een rechtsgeleerde kon worden toegevoegd. Zoo heel lang is het nog niet geleden — maar die tijd is nu toch wel voorbij. Wij hebben weer leeren inzien, dat van de groote mannen dier beweging ook voor onzen tijd nog wel iets te leeren valt. Ook, dat het met de weerlegging dier gansche strooming door de historische school, waarmede men gemeenlijk de zaak afgedaan acht, zoo’n vaart niet heeft geloopen, al was het alleen omdat een idee over een uit de rede der menschen of de natuur van het recht zelf af te leiden recht — dat bestemd is als waardemeter van het positieve recht te dienen — niet wordt ,,weerlegd” door een theorie over de wijze van ontstaan van dat positief recht. Intusschen, wat daarvan zijn moge, een terugkeer tot het natuurrecht begeeren wij geenszins. Hij zou trouwens onmogelijk zijn, omdat er niet een enkel natuurrecht bestaat — er waren velerlei richtingen. Maar de meening, dat er één stel regelen zou zijn, het volmaakte recht, dat wij door onze rede zouden kunnen kennen of althans benaderen en dat zou neergelegd moeten worden in onze positieve wetgevingen — en die voorstelling meent men meestal, als men van terugkeer tot het natuurrecht spreekt — is stellig niet de onze.

45

   But — one might ask — are we not returning to natural law in this way? An accusation of the heresy of natural law per se doesn’t bother me much. There was a time when it seemed the gravest reproach to make a jurist. It wasn’t that long ago, but that time is over now. We have learned to see again that there is still something to learn from the great men of that movement in our time. It is also clear that the general view that this current has been completely refuted by the historical school is not correct. The idea of a law which can be deduced from human reason or from the very nature of law itself, against which the value of positive law can be measured, is not “refuted” by a theory about the genesis of positive law. Incidentally, apart from this, we are certainly not advocating a return to natural law. That would also be impossible, because there is not only one conception of natural law, but many directions. Usually, when one speaks of a return to natural law, one refers to the idea that there is a set of rules – perfect law – which we could know or at least approach through reason and which should be laid down in our positive legislations. This position is certainly not mine.

46

Ik ga verder, ook aan het natuurrecht met wisselenden inhoud, wisselend naar tijd en plaats, waarvoor de eerste Duitsche rechtsfilosoof van dezen tijd, Rudolf Stammler, met zooveel kracht is opgekomen en waarvoor hij, eigenaardig genoeg voor een Duitscher, onder de jongere Franschen zoo warmen aanhang heeft gevonden, geloof ik niet — ten minste niet in den geest zooals Stammler het bedoelt.
   Het is hier niet de plaats om uitvoerig op Stammeler’s denkbeelden in te gaan. Met een enkel woord mij er van af te maken wil ik niet. Wanneer ik hem hier vermeld, is het, om vóór ik uiteenzet hoe naar mijn oordeel recht gezocht moet worden, mijn bedoeling door tweeërlei afwijzing van verwante opvattingen te verduidelijken.
   Afwijzing vooreerst van de voorstelling van een voor het redelijke denken te vinden ideaal-recht, dat onvoorwaardelijk eerbiediging van alle volken en alle tijden vraagt. Een recht dat wij wel niet zouden kunnen bereiken — dat geeft haast ieder toe — maar toch min of meer benaderen. Voor mij is de veranderlijkheid van het recht een element zonder welke ik het niet kan denken. Die veranderlijkheid aanvaard ik, niet alleen als tot heden altijd geconstateerd verschijnsel, maar als ook in de toekomst niet te overwinnen. Aanvaard ik gaarne, had ik bijna geschreven, maar {142}ik houd het woord terug — wie hoopt niet wel eens op een rust ook voor de samenleving?

46

I go further, however, because I am neither a supporter of the idea of ​​a natural law of varying content, changeable according to time and place, as vigorously defended by the most important German legal philosopher of our time, Rudolf Stammler, who, curiously enough for a German, especially among the younger French has gained so much following.
   This is not the place to go into detail about Stammler’s ideas.
21 However, I don’t want to finish it with a single word either. When I mention it here, it is because before setting out how I think law should be found, I want to clarify my point of view by rejecting two views akin to Stammler’s view.

   First of all, this concerns the view that through rational thinking an ideal-law can be found, which should be respected unconditionally by all peoples and all times. A law that we can never fully achieve, as almost everyone admits, but that can be approached. For me the changeability of law is an element without which I cannot think law. I accept that changeability, not only as a phenomenon that has always been observed up to the present, but also as something that will not be overcome in the future. I gladly accept, I had almost written, but I stopped myself, because who doesn’t hope for peace sometimes, also for society?

47

Intusschen, zoolang de volmaaktheid niet is bereikt, zal ook die rust niet worden verkregen. Zoolang er zondige menschen op aarde leven, zal de begeerte naar verandering blijven, zal ook het recht telkens weer andere vormen vertoonen. Het recht heeft geen einddoel, noch als te bereiken ideaal, noch als regulatieve idee — zijn einddoel zou zijn opheffing wezen. Was volmaaktheid bereikt, het recht zou overbodig zijn.
   Hieruit volgt, dat geen enkele rechtsregel op onvoorwaardelijke gelding, voor alle tijden en plaatsen aanspraak kan maken. Er mogen er zijn, waarvan wij ons moeilijk kunnen voorstellen, dat latere tijden ze niet meer zullen eerbiedigen, in beginsel is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat veranderde toestanden ook hen doen vallen of althans zoozeer beperken en wijzigen, dat wij ze niet meer zouden herkennen. De regel: gij zult niet dooden mag van alle tijden zijn, iedere tijd kent zijne uitzonderingen en beperkingen — het behoeft helaas thans niet te worden betoogd — in de uitzonderingen zit rechtens het belangrijke.
   Maar ook aan het objectief eenig-mogelijke, eenig-juiste recht voor een bepaald volk en een bepaalden tijd geloof ik niet. Wordt een oordeel van juist of onjuist over een rechtsregel gegeven, dan kan dit in laatste instantie alleen geschieden van uit een bepaalde levens- en wereldbeschouwing en zal het dus alleen gelden voor hen, die van dezelfde levensbeschouwing zijn, als hij die het oordeel gaf.

47

However, as long as there is no perfect world, there will be no rest. As long as there are sinful people on earth, the desire for change will remain and the law will always take different forms. Law has no ultimate goal, neither as an ideal to be attained nor as a regulative idea. The ultimate goal would be the abolition of the law. Would a perfect world be achieved, law would be superfluous.
   It follows that not one legal provision can claim unconditional validity, for all times and places. There will be provisions that we can hardly imagine will not be respected in the future. Nevertheless, it is in principle not excluded that changed circumstances will lead to these provisions being abolished or so limited and changed that we would no longer recognize them. The rule: thou shalt not kill may be of all times, each time has its own exceptions and limitations. Unfortunately, it need not be argued now (1915). The exceptions contain what is most important in law.

   But I also do not believe in the objective existence of a codified law that is the only-possible and only-right one for a certain people and a certain time. The judgment of right or wrong with regard to a legal provision can ultimately only be given from a certain philosophy of life and world view and will therefore only apply to those who have the same philosophy of life as the one who gave the judgment.

48

Met de anderen is zekere overeenstemming te bereiken, daarover zoo straks — een beamen zonder reserve kan van hem niet worden geëischt. Stammler meent, dat, als hem maar alle feitelijke gegevens worden verschaft — en die feitelijke gegevens bepaalt hij tot behoeften en begeerten der menschen, hunne over-\tuigingen omtrent wat recht behoort te zijn, spreken niet mee — met zijn methode door verstandsarbeid het onfeilbaar eenig mogelijke recht voor een bepaalden tijd kan worden gevonden. Dit is dunkt mij, overschatting van wat door onze rede kan worden bereikt, zuiver intellectualisme. Hij ziet het veranderlijke enkel in de behoeften en begeerten, mij schijnt het ook te liggen in den maatstaf, dien ieder beoordeelaar van de stof zal aanleggen, in het richtsnoer, dat hij volgt. En van die richtsnoeren is niet verstandelijk uit te maken, welk beter, welk minder is. Hier is geen bewijzen, slechts een aanvaarden of verwerpen mogelijk.
   Tot zoover mijn afwijzingen. Wanneer ik nu positief de factoren tracht aan te geven, die bij het zoeken naar recht van invloed behooren te zijn, dan ben ik mij volkomen bewust, dat ook voor mij geldt wat ik zooeven opmerkte, daar ook de oord«elen, die ik ga uitspreken — en oordeelen over de wijze waarop recht moet worden gezocht zijn ook oordeelen van recht — enkel maar zonder reserve aanvaard kunnen worden door hen, die zich verwant voelen in levensbeschouwing. {143}

48

As will be discussed in more detail below, one can certainly reach agreement with those who adhere to a different philosophy, but one cannot demand that they accept the legal provisions without reservation. Stammler believes that by his method i.e., by pure logical reasoning anyone to whom all factual data have been supplied (with factual data he designates the needs and desires of the people, thereby ignoring their beliefs about what the codified law ought to be), will be able to find the codified law which is the only possible for a certain time. In my view that is an overestimation of what can be achieved by our reason, it is mere intellectualism. Stammler sees the changeable only in the needs and desires, while in my opinion the changeable also lies in the standard by which one judges, or in the guideline one follows. And it is impossible to tell by pure logical reasoning which guideline is better and which less. Proof is not possible here and the guideline can only be accepted or rejected.
   So much for the two views I reject. When I now try to indicate below the factors that should influence the finding of law, I am fully aware that what I stated above also applies to myself. The judgments that I am about to pronounce — the judgments about the way in which law should be sought are, after all, judgments of law — can only be accepted without reserve by those who feel related to me in philosophy of life.

49

   Eerst het ideëele. Voorop onder die factoren stel ik de innerlijke ervaring in geweten en rechtsgevoel. Noli foras ire, in interno homine habitat Veritas. Dit woord van Augustinus zal het beginsel moeten zijn voor ieder, die naar een ,,behooren” een “moeten” zoekt. Als hier de grondslag ligt van het recht, als het recht normatief is, zal ook wie recht wil grijpen er niet aan mogen voorbijgaan. Wat men waarheid noemt in het ethische, het normatieve kan niet worden bewezen, alleen innerlijk worden beleefd. Voor eigen handelen is er geen hoogere eisch dan die van het geweten — geen bijtender afkeuring dan de innerlijk ondervondene. Wat het geweten ons volstrekt verbiedt, wij mogen het niet doen, ook niet in de samenleving. Hier ligt de grens van het recht. Maar bovendien: voor toetsing van het gedrag van anderen is de reactie van het geweten tegenover eigen gedrag een zelden falend hulpmiddel.
   Naast het geweten het rechtsgevoel, de spontane, intuïtief geboren overtuiging tegenover het handelen van anderen. Het rechtsgevoel, dat vooral dan spreekt als het dat handelen afkeurt, verwerpt als zedelijk minderwaardig, zich dan echter niet beperkt tot een enkel moreele afkeuring maar gepaard gaat met de convictie: dat handelen had niet mogen gebeuren, zij, die er de macht toe hadden, hadden het moeten verhinderen.

49

   First the ideal. The inner experience in conscience and sense of justice is, in my opinion, the most important ideal factor. Do not desire to go out, the truth dwells within man.22These words of Augustine indicate what the principle must be for anyone who searches for an “ought” and a “should”. If the basis of law lies in inner experience, that is, if law is normative, the one who seeks the applicable law should not ignore it. What is called truth in the sphere of the ethical – the normative – cannot be proved, but only experienced internally.23 There is no higher demand for one’s own actions than that of conscience — no more caustic disapproval than that which is inwardly experienced. What conscience absolutely forbids us, we should never do, not even in the context of society. Here lies the limit of the law. Moreover, even if one forms a judgment about the behavior of others, it helps to ask oneself how one’s own conscience would react if one acted in this way oneself.
   In addition to conscience, there is the sense of justice, that is, the spontaneous, intuitively born conviction towards the actions of others. The sense of justice is particularly evident when one not only condemns an act and rejects it as morally inferior, but also has the conviction, in addition to this moral disapproval, that that act should not have happened and that those who were authorized to do so should have prevented it.

50

Wanneer wij een handeling enkel als moreel afkeurenswaardig, slecht oordeelen, dan beschouwen wij de handeling alleen als uiting van een bepaald persoon, niet in verband met haar gevolgen van anderen. ,,Die daad was slecht”, dit vonnis is mogelijk, ook indien wij volkomen toegeven, dat het enkel aan den dader stond te beslissen wat hij wel, wat niet zou doen, als wij niemand geroepen achten zich daarin te mengen. Als onrecht beschouwen wij haar bovendien, wanneer wij oordeelen dat zij niet mag worden geduld, dat zij zoo mogelijk had moeten zijn verhinderd, dat zij zoo mogelijk moet worden ongedaan gemaakt door ieder die daartoe de macht heeft. Ons rechtsgevoel komt tegen zeker handelen in opstand, zeggen wij. Daarmee wordt uitgedrukt de pijn, die we ondergingen en de reactie, die we begeeren. Over dit intuïtief oordeelen denke men niet te laag. Er zijn gevaren aan verbonden, zeker, ik spreek er zoo straks over. Maar wie eenmaal slechts de emotie heeft ondergaan tegenover een of ander gebeuren: dat is onrecht — dat duld ik niet, weet de waarheid, die het voor hem bevat. Er is geen reden dat oordeel lager te stellen dan een door denken gevonden. Juist deze tijd maakt het een ieder gemakkelijk deze uitspraak aan eigen ervaring te toetsen, niet misschien het moreel ernstige onrecht treft het meeste, maar dat hetwelk op de grootste schaal geschiedt, de meest vitale belangen van het algemeen raakt.

50

If we find an act only morally reprehensible and bad, we regard that act only as an expression of a certain person and pay no attention to the consequences of that behavior for others.24 We can pass judgment on an act and say it was bad what someone did, while fully admitting that the perpetrator was completely free to decide what to do or not to do and therefore consider no one to interfere. We speak of injustice when, in our opinion, that act should not be tolerated and, if possible, should have been prevented or, if possible, undone by those authorized to do so. Our sense of justice rebels against certain actions, we say. This expresses that we experience pain and want a response to such behavior.One should not underestimate these kinds of intuitive judgments, even if they certainly entail certain dangers. More about that below. Someone who has experienced something that evoked in him the emotion of an injustice that he does not want to tolerate, knows how this is a truth to him. There is no reason why such a judgment should be of a lower order than a judgment acquired by thought. Using a contemporary example, it can be made clear that it is not so much the morally grave injustice that evokes this emotion, but that which occurs on the largest scale and affects the most vital interests of the general public.25

51

Denk U eenige maanden terug, herinner U de verontwaardiging. Eerst het proces van mevrouw Caillaux: een troep intrigeerende politici van verdacht allooi heerschend in de zaal waar recht ge{144}sproken zal worden en hun wenschen stellend in plaats van de vraag: schuldig of onschuldig, een zaal gevuld met een naar sensatie jagend publiek van heele en halve cocottes, een rechter, die naar die politiseerende heeren opziet, angstig of hij hun ook eenigszins mishaagt, een jury, die zich kennelijk in strijd met de waarheid door den arriviste, die minister is geweest, een vrijspraak laat dicteeren. Was het niet pijnigend onrecht? — Toen België, ik mag er immers over zwijgen, niet waar? De naam alleen zegt genoeg. —’ Eindelijk de dood van Fourie, niet zoo grof, wettelijk misschien wel te verdedigen, maar juist door het verfijnde schrijnender voor ons gevoel, met die vrouwen, van het eene huis naar het andere ijlend om den man te zoeken, die de executie kan tegen houden, met dien minister, die niet te vinden is, en tegenover die figuur het slachtoffer, zoo volkomen rustig in geloofsvertrouwen en bewustzijn zijn plicht te hebben gedaan. Leerde onze ontroering ons niet, dat dit alles onrecht was, schandelijk onrecht? Hebben wij wetboek of tractaten, regelen noodig om daarvan zeker te zijn?

51

For example, a few months ago there was great indignation. First as a result of the trial of Mrs. Caillaux,26 in which a group of intriguing politicians of a suspicious nature played a dominant role in the room where justice must be delivered: a room filled with a sensation-hungry audience, a judge, who is afraid to displease those politicians and a jury, which apparently allows the accused (an arriviste, who had been a minister) to dictate an acquittal, contrary to the truth. Wasn’t this a painful injustice?Then the invasion of Belgium, I don’t need to elaborate on that. Finally, the execution of Fourie.27 There is no gross injustice here and it may have been legally defensible. Yet distressing for our feeling, with those women who rush from one house to another in search of the man who can stop the execution, with that minister who cannot be found, and in the face of all this the victim, so completely calm in faith and filled with the consciousness of having done his duty. Did not our emotion teach us that all this was injustice, shameful injustice? Do we need a code, treaties or other rules to make sure of that?

52

   Het scheen mij noodzakelijk aan deze beide elementen van intu-itie in de rechtsidee te herinneren. Verwaarloosd mogen zij niet worden. Maar evenzeer moet worden bedacht, dat een beroep op het geweten, op het rechtsgevoel vooral, licht gevaarlijk kan zijn en tot minder gewenschte gevolgen kan leiden. Het geweten laat zich soms in slaap sussen, omkoopen, er zijn menschen, die van hunne conscientie al buitengewoon weinig last hebben. Er zit ontwikkeling ook in de spraak van het geweten. Voor den geloovige krijgt de stem in het binnenste een andere klank, sinds hij er de stem van God in meent te hooren. Wijst dit alles niet op de onzekerheid in de uitspraak van het geweten? Ik heb het bezwaar van “bodemloos subjectivisme” niet te onderzoeken voor de moraal, — er zij naar de uiteenzetting van La Saussaye in Het Christelijk leven verwezen2 — voor het recht schijnt het ernstiger, meer dan de moraal heeft toch het recht aan vastheid behoefte. In waarheid is het echter hier van geringer beteekenis dan daar. De enkele gewetensuitspraak beslist toch niet over het recht. Het innerlijk zedelijk oordeel mag en moet ieder leiden, die in welke hoedanigheid ook, naar recht zoekt, met dit zedelijk oordeel alleen maakt hij geen recht. Er komen zooveel andere bestanddeelen daarbij mede in aanmerking, dat het gevaar voor bodemloos subjectivisme niet heel groot is. Er blijft iets subjectiefs, zeker, gelukkig zoude ik zeggen, maar dat is nu eenmaal niet weg te nemen. Men bedenke voorts, hoe verschillend moraal en recht tegenover een handeling staan. De moraal beoordeelt de handeling als uiting van een gezindheid, het recht de gezindheid alleen voor zoover zij in een handeling blijkt. De moraal oordeelt concreet, één enkele daad wordt goed of slecht geheeten, het recht zoekt naar regelen, pagina-145abstracties.

52

   It is important to keep these two elements of the intuitive insight into the idea of Law in mind. They should never be ignored. At the same time, it must be borne in mind that an appeal to conscience, especially an appeal to the sense of justice, can be dangerous and lead to less desirable consequences. The conscience sometimes allows itself to be lulled or bribed, and there are people who have exceedingly little trouble with their consciences. Also, conscience does not always say the same thing. For the believer the voice within takes on a different sound, because he thinks he hears the voice of God in it. Does not all this indicate that the judgments of conscience are uncertain and lead to a “bottomless subjectivism”? With regard to morality, I refer in this connection to La Saussaye’s treatment of this accusation in Het Christelijk Leven.28 For law, the objection of the uncertainty of the judgment of conscience seems more serious than for morality because law needs more certainty. In truth, however, this uncertainty is less important for law than for morality. The judgment of conscience is never in itself decisive in respect of applicable law. The inner moral judgment may and must guide anyone who in any capacity seeks applicable law, but this moral judgment alone does not bring about a legal judgment. There are so many other elements that must be taken into account in a legal judgment that the danger of bottomless subjectivism is not very great. There is always something subjective in any legal judgment. Sure, good thing, I’d say. It simply cannot be removed. Furthermore, it should be clear that morality and law are very different in relation to an action. Morality judges an action as the expression of a disposition, while in respect of a legal judgment the disposition is considered relevant only in so far as it is expressed in behaviour. Morality judges concretely, a single act is called good or bad, while the applicable law searches for rules, {145} that is, for abstractions.

53

Ook de moraal kent die, maar waar ze daar niet meer zijn de hulpmiddelen, krukken bij den niet altijd gemakkelijken gang tusschen doornige onzekerheden — zijn ze voor het recht noodzakelijke richtsnoeren, zonder welke in den blinde wordt rond-getast. Het geweten oordeelt zonder wet, en in zekeren zin is waar, wat Novalis zegt: Gesetze sind der Moral durchaus entgegen. Door de noodzakelijkheid van vorming van regels verliest de zedelijke uitspraak in het recht zijn diepste beteekenis, zij vervlakt en vervaagt, maar daarmee vervalt tevens het gevaar voor subjectivisme. Grooter schijnt mij vooralsnog het tegengestelde, dat de zedelijke oordeelvelling in de rechtsbeslissing te weinig wordt gehoord.
   Gevaar zit ook in het rechtsgevoel. Hier stellig meer. Het intuïtief oordeel wordt wel eens lichtvaardig gegeven. Wie zich pijnlijk getroffen gevoelt door een vermeend onrecht, zal later bij nadere bezinning wel eens moeten toegeven zich te hebben vergist. Antipathieën en sympathieën hebben grooten invloed, het is niet altijd gemakkelijk zulke factoren buiten te sluiten. Zoodra men persoonlijk dupe wordt van het onrecht, is het moeilijk onbevangen te oordeelen. Is in eenigen strijd eenmaal door een der partijen onrecht gepleegd, dan is het voor velen zwaar om aan te nemen dat die partij niet voortdurend onrecht pleegt, er wordt, zoodra er maar eenige aanleiding voor is, snel tegen haar geoordeeld, hetgeen tegen den ander pleit wordt vergoelijkt.

53

Morality also has rules and abstractions. In morality, however, these are nothing more than tools, which support the not always easy passage between thorny uncertainties. For the law, on the other hand, these are necessary guidelines, without which one gropes around blindly. Conscience judges without codified law, and in a sense it is true what Novalis says: Gesetze sind der Moral durchaus entgegen.29 Due to the necessity of making rules, the moral judgment in law loses its deepest meaning. The moral meaning becomes obsolete and fades away, and with it the danger of subjectivism also disappears. The danger of the opposite, that is to say that the moral judgment does not show up enough in the formation of law, seems to be greater for the time being.
    A sense of justice also entails the danger of subjectivism. That danger is even greater here. The intuitive judgment that something is unjust is sometimes given lightly. If you feel painfully affected by an alleged injustice, you will sometimes have to admit that you were mistaken later, on reflection. Dislikes and likes have great influence and it is not always easy to exclude such factors. As soon as one becomes personally the victim of an injustice, it is difficult to judge without prejudice. If in a power struggle one of the parties has committed an injustice, it is often difficult to assume that that party is not constantly committing injustice. Later events are then quickly explained to the detriment of that party and condoned against the other party.

54

Ieder kent in deze oorlogstijden in zijn omgeving voorbeelden van personen, wier oordeel zoo vervalscht is. En hunne emoties zijn wellicht niet minder sterk bij het vermeende dan bij het werkelijke onrecht. Het kan alles worden toegegeven. Het kan ieder een reden zijn, zijn eenmaal in de eerste opwelling gegeven oordeel nog eens grondig te overwegen, zich voortdurend zooveel mogelijk tegen beïnvloeding door factoren, die verre moeten blijven, te wapenen, afdoend is dat niet. Maar ondanks dat alles blijft de waarde van innerlijke overtuiging, van onberedeneerd beslissen in vragen van recht. Wie al te zeer twijfelt, houdt zich wel buiten gevaar mis te tasten door te groote hevigheid van overtuiging, maar in slapte blijft hij aarzelen, beslist heelemaal niet meer en het rechtsgevoel wordt verstompt. Men vervalt tot scepticisme. En niemand is gebaat.
   De bedenkelijke zijde van het oordeelen naar rechtsgevoel zal veel eerder naar voren komen bij hem, die concreet recht zoekt — een rechter b.v. die een leemte der wet aanvult — dan bij hem, die den regel zelf wil opstellen. Wel heeft de eerste te bedenken, dat ook zijn uitspraak als uitvloeisel van een regel moet kunnen worden gedacht, alleen daardoor hoedt hij zich voor het gevaar, zich op de bijzonderheden van het geval blind te turen, maar zijn beslissing bindt toch enkel in het concrete. Hier is de kans door bij-omstandigheden te worden geïnfluenceerd — medelijden met de zwakkere van de strijdende partijen — stellig niet denkbeeldig. {146}

54

In these times of war, everyone knows examples of people who judge biased in this way. Their emotions are probably just as intense in perceived injustice as in real injustice. This can be admitted without question. Even if this is a reason to thoroughly reconsider a judgment given at the first impulse and to guard oneself as much as possible against influence by factors that are not relevant, this will not be sufficient. Yet, despite all this, the great value of inner conviction and unreasoned decision-making in questions of justice remains unaffected. He who doubts too much, while avoiding the danger of making a mistake through too much emotional involvement, remains in limp hesitation, stops making decisions and becomes dulled in his sense of justice. No one benefits from such a fall into scepticism.
   The problematic side of judging on the basis of a sense of justice will play a role more for those who seek concrete law, such as a judge, who fills a gap in the law, than for those who establish regulations. It is true that the former should bear in mind that his statement must also be able to be thought of as the consequence of a rule, because only in this way does he guard himself against the danger of getting blinded by the particulars of the case, but the decision is only binding in the concrete case and therefore the chance of being influenced by secondary circumstances, such as pity for the weaker of the warring parties, is by no means imaginary.
(146)

55

   Er is nog een ander gevaar. Van rechtsgevoel behoort alleen te spreken, wie ontroering over anderen aangedaan onrecht gevoelt. Het woord wordt echter misbruikt. Er is kans dat het gevoelsmoment slechts schijnbaar invloed heeft, dat in waarheid andere factoren het oordeel bepalen, maar dat degeen die het oordeel velt, als hij zich eenmaal in een bepaald resultaat heeft ingedacht, zich daarmee zoozeer vereenzelvigt, dat hij verwerping van dat resultaat als onrecht meent te voelen. Maar dàt is niet de zuivere reactie van het gemoed tegen onrecht. Laat ik mijn bedoeling door een voorbeeld duidelijk maken. Voor eenige jaren is een rechtsstrijd gevoerd, die in juridische kringen sterk de aandacht trok. Iemand had een vereeniging tot erfgenaam benoemd, het bleek dat deze vereeniging den termijn voor welken haar rechtspersoonlijkheid verleend was, had laten verloopen zonder tijdig voor verlenging te zorgen, zij had haar rechtspersoonlijkheid verloren. Vraag: kan zij niettemin erven? “Onze rechtspraak besliste in drie instanties van niet.

55

   There is another danger. One should only speak of a sense of justice when it comes to an emotional response to injustice done to others. However, the word is misused. Sometimes the emotional element seems to play a role, while in reality other factors determine the judgment. There are situations in which the person making the judgment identifies so much with the result that he believes is desirable that he experiences a rejection of that result as injustice. In that case, however, there is no question of a purely emotional reaction to injustice. I will clarify this with an example. A few years ago there was a lawsuit that attracted a lot of attention in legal circles. Someone had named an association as heir, which turned out to have let the term for which legal personality had been granted expire without ensuring an extension in time. As a result, the association had lost its legal personality and the question was whether it could nevertheless inherit? Our courts decided against it in three instances.

56

Over de technisch-juridische kwesties, die in deze vraag zitten, spreek ik hier niet, ik haal het geval aan omdat ook hier3 is beweerd, dat het rechtsgevoel reeds leert, dat de vereeniging het proces had moeten winnen. Dat schijnt me onjuist. Ik erken, dat waardeerings-oordeelen in deze interpretatie-kwestie een woord mee spreken. Eenerzijds: de eerbiediging van het woord van den erflater, van den individueelen wil — anderzijds de waarde van regelmaat en zekerheid, ter wille waarvan de erkennings-eisch is gesteld. Ik kan mij begrijpen, dat Hijmans de eerste zoo mogelijk wil handhaven desnoods ten koste der laatste ■— ik zou het met hem doen. Maar dat het rechtsgevoel in dergelijke in hoofdzaak technische vragen den doorslag zou geven, betwijfel ik. Voelt men de beslissing van den Hoogen Raad als onrecht — dan kan dit alleen gevolg zijn van het getroffen zijn in eigen wetenschappelijke overtuiging.
   Ik heb hiermede reeds het rationeele element naast het intuïtieve in het zoeken naar de rechtsnorm genoemd: de waardeering van belangen, het afwegen van waarden, het toetsen van de verschillende middelen, waarmee een bepaald doel kan worden bereikt. Voor den wetgever zal dit wel haast uitsluitend van beteekenis zijn, bij hem geraakt het rechtsgevoel op den achtergrond. Het onrecht, dat hij wil opheffen is minder concreet en daardoor minder treffend, is algemeener, raakt het gemoed minder, het ligt verder van zijn arbeid af. Voor hem is de waardeering van doeleinden hoofdzaak. Ieder, die een regel geeft, beoogt daarmee een zeker doel. hij wil een bepaald resultaat bereiken. Dit doel kan echter op zijn beurt weer als middel voor een ander beschouwd worden. Gelijk wij in de causale keten telkens weer meer terug kunnen gaan, naar de oorzaak van een oorzaak vragen, zoo zullen wij als {147}we een zaak teleologisch beschouwen telkens weer kunnen opklimmen, ieder doel weer kunnen zien als middel voor een hooger gelegen.

56

I do not want to talk here about the technical-legal issues that play a role in this matter. I cite this lawsuit because Hijmans30 has argued that the sense of justice teaches that the association should have won the lawsuit. That seems incorrect to me. I recognize that valuation judgments play a part in this question of interpretation. On the one hand, the importance of respecting the testator’s word, that is, his individual will. On the other hand, the importance of regularity and certainty, which underlies the regulation of recognition as a legal personality. I understand that Hijmans wants to uphold the testator’s word even if this is at the expense of regularity and certainty — as a judge I would do the same. But I doubt that the sense of justice would be decisive in such essentially technical questions. If one feels the decision of the Supreme Court as injustice — this can only be the result of being affected in one’s own scientific conviction.31
   In the search for applicable law, in addition to the intuitive form of appreciation based on a sense of justice, a rational form of appreciation also emerges: valuing interests, weighing values ​​and testing the various means in the perspective of achieving a particular goal. Almost exclusively this rational element will be of significance to the legislator, because with legislation the sense of justice recedes into the background. The injustice that the legislator wants to eliminate is less concrete and therefore affects people less. Because the injustice is more general, it is less emotional and further removed from his work as a legislator. For the legislator, the choice of purposes is the main thing. When a rule is drawn up, it aims at a certain goal, wants to achieve a certain result. However, this end in turn can be regarded as a means to another end. Just as in a causal chain we can go further and further back and ask for the cause of a cause, so as we consider a thing teleologically, we can go up again and again and see each end as a means to a higher end.

57

De hoogste doeleinden eindelijk — die niet meer te herleiden zijn — hebben wij als gegeven te aanvaarden. Die beamen wij, zij vloeien uit onze levensbeschouwing voort, of liever hunne aanvaarding is onze levensbeschouwing zelve. Zich deze klaar be-wust te worden, van haar uit de beteekenis van haar ondergeschikte doeleinden te bepalen, de waarden van het leven: natuur, schoonheid, kunst, wetenschap te schatten, het kan voor hem, die aan de rechtsvorming deelneemt, van onberekenbaar nut zijn.
   Het gaat hier niet om de vorming van een systeem. De levenswaarden laten zich niet als in een herbarium keurig ieder op haar eigen plaats opbergen. Die Wissenschaft ist notwendig wider das Leben (Rickert). Was het systeem gevonden, het waardevolle zelf was verdord. Ook tusschen hen, die zich in fundamenteele beschouwing verwant voelen, zal in waardeering van de kunst, b.v. voor individueel en gemeenschapsleven sterk verschil kunnen bestaan. Het blijft altijd bij benadering zeer uit de verte — maar eenige meerdere orde kan hier wel worden bereikt.
   Onafscheidelijk van de waardeeringsvraag is de vraag in hoeverre de gemeenschap geroepen is die waarden te bevorderen, in hoeverre het beter aan het individu blijft overgelaten. Zij is zelve weer een vraag van waardeering.

57

The ultimate goals, which can no longer be traced any further, we have to accept as a given. We take them on. They arise from our philosophy of life, or rather: that we experience these goals as our highest is the core of our philosophy of life. It may be of inestimable importance to those who participate in the process of the formation of applicable law to visualize clearly these supreme goals and from that premise to determine the meaning of the secondary goals which constitute the values of life: nature, beauty, art and science.
   This is not about forming a system. Life values cannot be neatly stored in their own place as in a herbarium. As Rickert states:
Science necessarily turns away from life.32If it were to succeed, the value of it would have withered. Also between those who consider themselves related in their vision of the highest goals, there can be, for example, a strong difference in the appreciation of the significance of art for individual and community life. Although it always remains a rough approximation, something of a somewhat coherent view of life values can be achieved, however.
   Closely related to this is the question to what extent the community is called to promote the values of life and to what extent it is better to leave this to the individual. This is again a question of appreciation.

58

De tegenstelling individu-gemeenschap, de gemeenschap enkel ter wille van de vervolmaking van het individu of een waarde in zich zelf, moge niet, gelijk een jong Duitsch schrijver, Radbruch4 beweert, de meest principieele tegenstelling tusschen onderscheiden wereldbeschouwingen zijn — voor het recht is zij wel van eminent belang. Meer dan andere waardeeringen beheerscht zij de rechtsvorming. De geschiedenis van de staatsleer van de Grieken tot op den tegenwoordigen tijd leert het. Is hare opheffing reeds in het Evangelie gegeven (iedere menschenziel van oneindige waarde eenerzijds — de volstrekte eisch van naastenliefde anderzijds) het is er verre van, dat uit dezen eisch de concrete toepassing reeds gevonden zou zijn. Naast de waardeering der doeleinden ligt hier de tweede taak: het vinden van het rechte middel ter bereiking van een bepaald doel. Hierin ligt stellig minder subjectiefs. hier is meerdere overeenstemming ook tusschen hen, die fundamenteel verschillen, mogelijk. Is eenmaal uitgemaakt, dat de arbeider op zijn ouden dag recht heeft op verzorging van staatswege, dan schijnt het enkel een vraag van rechts-techniek of dat nu het best geschiedt door staatspensioen of door verzekeringsdwang. Het lijkt opschroeving als van zulk een tegenstelling iets principieels wordt gemaakt. Het is dat dan ook, al kan worden toegegeven, dat in allerlei detail-factoren toch weer principieel-gekleurde tegenstellingen kunnen rijzen. Iedere {148}regeling van zulken aard is zóó ingewikkeld, grijpt aan zooveel kanten in, dat zij telkens weer in aanraking kan komen met problemen, die alleen van uit een bepaalde grondopvatting kunnen worden beoordeeld. Hoe eenvoudiger de vraag is, hoe minder kans daarvoor bestaat. Stel b.v. de vraag of bij werkstaking of uit-sluiting de patroon of de arbeider recht op schadevergoeding moet hebben tegenover zijn mede-contractant in de arbeidsovereenkomst. Wie het pacta sunt servanda zwaar doet wegen, de gebondenheid aan het eens gegeven woord ter wille van hare ethische beteekenis hoog wil houden (ik ga maar niet verder terug) zal eerder geneigd zijn deze vraag bevestigend te beantwoorden dan degeen, die de economische verheffing van den arbeider niet enkel ter wille van zijn zedelijke verhooging maar ook reeds op en om zich zelf als groote waarde erkent. Of echter als eenmaal het beginsel: geen schadevergoeding is geaccepteerd, nu de contractsverhouding geacht moet worden verbroken of geschorst te zijn, is een vraag van juridisch-technischen aard, waarvan de oplossing zuiver weten-schappelijk is te vinden.

58

Possibly the individual-community opposition, i.e. the community as something that exists only for the sake of the perfection of the individual or as a value in itself, is not the most fundamental contradiction between the different world views, as the young German writer Radbruch33 claims. For the law, however, this contradiction is of eminent importance and determines the formation of law. The history of constitutional theory from the Greeks to the present day shows this. It is true that in the Gospel the elimination of this contradiction is a given (every human soul of infinite value on the one hand — the absolute requirement of charity on the other), but it is not at all clear how this should be applied in concrete terms. In addition to the choice of ends, the issue here is finding the right means to achieve the chosen goal. At this point the subjective plays a smaller role and it is easier to reach agreement between people who otherwise hold fundamentally different views. If, for example, it has been decided that the worker is entitled to care from the state in his old age, then it is a question of simple legal technology whether this can best be done through a state pension or through compulsory insurance. It seems exaggerated to turn such a contradiction into something principled. It is exaggerated indeed, although it must be admitted, that with a detailed elaboration, fundamentally colored contradictions can arise again. Such arrangements are so complex and have such far-reaching consequences for other areas that problems can always arise which can only be assessed from a certain principled point of view. The simpler the question, the less likely it is. Take, for example, the issue of whether the employer is entitled to compensation under the employment contract in the event of a strike. The one who gives weight to the “pacta sunt servanda”, i.e. underlines the ethical meaning of the bondage to the word once given (I won’t go back any further), will be more inclined to give this right to the patron, than the one for whom the economic upliftment of the worker does not serve primarily to elevate him morally, but is also an end in itself.34 The question which remains once the principle is accepted that there is no right to compensation, namely whether the contract relationship is broken or suspended, is a question of a legal-technical nature, the solution of which is found by purely scientific reasoning.

59

   Uit deze korte aanduiding der elementen in de rechtsidee moge duidelijk zijn, dat van de rechtsidee niet gesproken kan worden dan van uit een bepaalde levensbeschouwing. Bedenkt men daarbij nog, dat ik geheel verwaarloosde de meening van hen, wier wereldbeschouwing hen nog andere bronnen van normen over hetgeen behoort, doet erkennen dan ik aangaf: innerlijke ervaring, rechtsgevoel, rationeele bezinning over levenswaarden en hare verwezenlijking, die in den Bijbel, niet een onmisbaar middel tot sterking en loutering van eigen innerlijk leven zien, een licht op onzen weg, ook waar wij naar recht zoeken, maar een wettencomplex van directe toepassing ook in onzen tijd, of die zich aan de voorschriften hunner kerk onvoorwaardelijk gebonden rekenen, dan schijnt het wel hopeloos, op zoek naar den schat van het recht uit te trekken. Het goede, het richtige recht voor dezen tijd voor ons volk te vinden, hoe is het mogelijk, waar wij onderling zoozeer verdeeld zijn in fundamenteele beschouwing? Als wij althans iets in die richting bereiken, als wij niet geheel onbevredigd moeten blijven, dan ligt dat hierin, dat de wetgeving — en in het algemeen ieder die bij de rechtsvorming betrokken is — dat recht niet vrij kan scheppen van uit zijn rechtsidee, dat hij daarbij gebonden is aan reëele gegevens die uit den aard der zaak voor ieder hetzelfde zijn.

59

On the basis of this brief indication of the ideal elements of law, it should be clear that it is not possible to speak of the idea of law without starting from a certain philosophy of life. It should also be remembered that I have not at all gone into the view of those who, from their world view, recognize completely different sources of norms about the ought than the ones I mentioned: inner experience, sense of justice, rational reflection on life values ​​and the realization thereof. They do not see in the Bible an indispensable means of strengthening and purifying their own inner life – a light on our way, also in the search for applicable law – but a bundle of laws that are also directly applicable in our time or they consider themselves unconditionally bound to the precepts of their church. The search for the treasure of applicable law seems hopeless in the light of all this. How can we find the good and correct applicable law for this time for our people when we are so divided among ourselves in fundamental views? If we turn out to be able to achieve anything in that direction, and our search is not wholly fruitless, it is because legislation — more generally everyone involved in the formation of applicable law — cannot freely create it of its own accord, but is bound by real data, which are objective facts for everyone in the same way.35

60

§ 5 Rechtsvinding. Reëele gegevens.

   Tot nu toe hielden wij ons bezig met het ideëele in het recht: onze overtuiging omtrent wat behoort, haar intuïtieve en rationeele elementen. We hebben thans te bedenken, dat die overtuiging om als recht ook maar te kunnen worden gedacht altijd gericht moet {149}zijn op een verwezenlijking in een bepaalden tijd voor een bepaald volk. Dat is de taak van iedere rechtsgedachte, slaagt zij daarin niet, dan zal zij ten slotte blijken ook geen recht te zijn. Wij keeren tot de feiten terug.
   Eugen Huber heeft onlangs een belangrijk artikel geschreven over Die Realiën der Gesetzgebung5. De schrijver is onder juristen bekend als de man van het veelgeprezen Zwitsersch Burgerlijk Wetboek van 1907, in alle opzichten zijn werk. Het is begrijpelijk, dat wij met belangstelling luisteren naar wat hij over de kunst der rechtszoeking door den wetgever heeft te zeggen.
   Recht is een regeling van machtsverhoudingen. Het zijn belangen van menschen, botsingen van hunne behoeften en begeerten, waartusschen de rechtsorde de beslissing moet geven. Dat is de stof, waarin de rechtsidee werkt. Deze maatschappelijke verhoudingen zelf zijn voortdurend vloeiend, veranderend — de wetgever heeft telkens nieuwe stof te regelen. In dit alles is niets blijvends. Blijvend alleen is — zegt Huber, dàt de wetgever in zijn regeling van de stof afhankelijk is. Zooals de kunstenaar aan de materie, marmer of hout, waarin hij werkt, gebonden is, zooals hij anders zal en moet arbeiden als hij een gravure maakt of een ets, zoo bindt dengeen die recht zoekt de realiteit.6 Is van die realiteit iets algemeens te zeggen?

60

§ 5 Finding law, real data

   Until now we have been concerned with the ideal in law, namely with our conviction about what belongs and its intuitive and rational elements. However, we must now realize that a belief can only be thought of as applicable law if it is aimed at implementation in a certain time for a certain people. That is the task of thinking about law. If that implementation does not take place, it will ultimately not be a matter of law. With this we return from the ideal to the facts.
   Eugen Huber recently wrote an important article about
Die Realiën der Gesetzgebung.36 The writer is known among lawyers as the man of the much-praised Swiss Civil Code of 1907, which is his work in every way. We are therefore naturally interested in what he has to say about the legislator’s art of seeking applicable law.
Law is a regulation of power relations. The rule of law decides the interests of people when their needs and desires clash. That is the material in which the legal idea operates. Social relations are changeable and in constant flux — the legislator must constantly regulate new matter. In all this, according to Huber, nothing remains the same, except that the legislator is dependent on matter in its regulation. Just as the artist is bound to the material he works on, the marble or the wood, just as he will and must work differently when making an engraving than with an etching, so too is the one who seeks applicable law bound to reality.37 Is it possible to make general statements about that reality?

61

Huber meent van wel, hij meent, dat dat naar drieërlei richting kan geschieden. Met den mensch, met de natuur en met de overlevering als gegeven voor den wetgever houdt hij zich achtereenvolgens bezig. Met den mensch: iedere rechtsorde is gebonden aan de tegenstelling gezond-ziek, volwassen-onvolwassen, ook met de intellectueele en moreele eigenschappen moet rekening gehouden worden. Hoe dat moet geschieden wordt door Huber in belangwekkende beschouwingen uiteengezet. Het is echter voor ons niet van direct belang, evenmin als zijne bespreking van de gegevens, die het samenleven der menschen — ook zonder nog aan eenige rechtelijke regeling te denken — aan de hand doet: geslachtsverhoudingen, bloedverwantschap, plaatselijk verband (nationaliteit- en ras-eigenaardigheden) gemeenschappelijke arbeid. Ook de behandeling van de natuur (klimaat, productiewijze e.d.) zullen wij stilzwijgend voorbijgaan. Voor ons is vooral van belang wat Huber over zijn derde groep van gegevens: de overlevering opmerkt. Wie een rechtsregel opstelt, staat nooit voor een tabula rasa, waarin hij griffen kan wat hem behaagt. Aan iedere rechtsorde gaat een andere vooraf. Een volk zonder recht moet nog gevonden worden.

61

Huber thinks so. He believes that this can be done in three ways and is successively concerned with man, nature and tradition as matters that are given to the legislator. With man: every legal order is bound by the opposition of healthy-ill, adult-immature, while the intellectual and moral properties must also be taken into account. Huber devotes important considerations to how this should be done. These are not directly relevant here, nor is his discussion of the data arising from the fact that people also have a non-legally regulated natural form of coexistence: sex relations, consanguinity, local connection (nationality and racial idiosyncrasies) and economic cooperation. We will also tacitly ignore his treatment of nature (climate, production method, etc.). What is particularly important to us is what Huber remarks about his third set of data: tradition. He who draws up a legal provision is never faced with a tabula rasa in which he can engrave what pleases him. Every legal order is preceded by an earlier legal order. A people without legal order has yet to be found.

62

   Ik zal het artikel van Huber niet op den voet volgen — te {150}minder, waar ik verder wil gaan dan hij en niet alleen de wetgeving, het geldende positieve recht, maar ook de mogelijkheid van realiseering van het te vormen recht en daarom de rechtsover-tuigingen van een bepaald volk in de rij der feitelijke gegevens wil opnemen. De erkenning moge genoeg zijn, dat een deel der hier volgende gedachten aan zijn opstel is ontleend.
   Het recht beoogt verwezenlijking. Het is daarbij aan de voorwaarden van die verwezenlijking gebonden. De wetgever kan alles, heeft men gezegd, behalve van een man een vrouw maken. Het was een dwaze waan. Geen wetgever maakt van een agrarischen staat een industriestaat, hij kan rechtsregelen in het leven roepen, die een bestaande tendens in die richting bevorderen, ten slotte is zijn invloed van secundair belang. Aan de feiten kan hij niet voorbijgaan. Tot die feitelijke gegevens behoort ook het bestaande recht.
   In vele naïeve geesten bestaat de voorstelling, dat als de men-schen nu maar eens allen verstandig waren en allen van goeden wil, het uiterst eenvoudig zou zijn een volmaakte rechtsorde in het leven te roepen. In vele naïeve geesten — en in heel wat overigens niet naïeve ook. Als de vrouwen maar meestemden, zou op slag alles anders worden, meent men. Tegenstander van vrouwenkiesrecht ben ik niet, maar ik vrees, dat invoering daarvan aan wie dat gelooft niets dan teleurstelling zal brengen.

62

   I will not follow Huber’s article closely. In fact, I want to go further than he and treat not only legislation, i.e. the positive law in force as factual, but also the legal convictions of a particular people, because they are important for the possibility to implement new legal provisions. But it may be clear that some of the thoughts which now follow are taken from his essay.
   The law aims at implementation. It is thereby bound by the conditions of that implementation. It has been said that the legislator can do anything except make a man a woman. That is a foolish thought. No legislature turns an agricultural state into an industrial state. He can indeed create legal rules that promote an existing tendency in that direction, but ultimately his influence is of secondary importance. The legislator can never ignore the facts and existing law is part of that factual data.

   Many are so naive as to think that if only men were all sensible and all of good will, it would be extremely easy to create a perfect legal order. A lot of people, who are generally not so naive, think that way too. For example, those who believe that if only women could vote, everything would change instantly. I am certainly not opposed to women’s suffrage, but I fear that its introduction will bring nothing but disappointment to those who think so

63

Aan iedere utopie ligt dit denkbeeld van de mogelijkheid van plotselingen verandering ten grondslag. Velen verbeelden zich, dat als de sociaaldemocraten maar eens de macht hadden, de samenleving in ééns, plotseling een geheel andere zou zijn. En toch. al zaten er ten onzent 100 sociaal-democraten in de Tweede Kamer en 50 in de Eerste — er zou nog heel wat tijd voorbijgaan, vóór ook maar een deel der productiemiddelen was gesocialiseerd. Er is in de rechtsorde een continuïteit, die nimmer sterk verbroken wordt. Revoluties mogen een staatsgezag omverwerpen, de samenleving ziet er een dag daarna niet veel anders uit dan te voren. Niet alleen feitelijk, ook in de rechtsregels. Of misschien is één dag na de revolutie de verandering nog het sterkst. Maar wat plotseling wordt opgeworpen, houdt geen stand en na eenige jaren keert het oude terug. Grootsche bewegingen in geestes- en maatschappelijk leven mogen bepaalde data kunnen aanwijzen, waarop de fontein van hare ideëen hoog opspoot, de doorsijpeling dier gedachten in het rechtsleven duurt jaren en jaren. De invloed der Fransche revolutie op het privaatrecht is een sprekend voorbeeld daarvan; ook van het weinig blijvende van radicale wijzigingen. Onder meer zou het geheele familierecht worden omgegooid: iedere ongelijkheid moest worden opgeheven bij de vererving, in en buiten echt geboren kinderen zouden rechtens op dezelfde wijze worden behandeld, het huwelijk moest opzegbaar zijn. Er kwamen wetten, die dit alles brachten — tien jaar later, toen de Code Civil werd {151}geredigeerd, werd het grootste deel van dit alles, voor zoover het al niet verdwenen was — weder opgeruimd. De afschaffing van den voorrang van den eerstgeborene bij vererving bleef, het huwelijksrecht van den Code was stellig niet geheel gelijk aan dat van het ancien régime, maar het toont daarmee toch meer overeenstemming dan met dat van de tusschen beide liggende wetgeving der revolutie, het buiten echt geboren kind werd weder naar zijn donkere rechtspositie van vroeger terug gewezen.

63

All utopian thinking is based on this idea that sudden change is possible. Many people believe that if the social democrats only came to power, society would suddenly become completely different. However, I think that even if there were 100 social democrats in the Netherlands in the Second Chamber of Parliament and 50 in the First it would be a long time before (if any) only a part of the means of production was socialized. There is a continuity in the legal order that is never strongly broken. It may be that revolutions can overthrow a state authority, yet society does not look very different the next day than before. Not only factually, but also in terms of legal rules. Perhaps one day after the revolution, the change is even most noticeable. But what is brought about suddenly does not last, and after some years the old returns. One can indeed point to certain periods for the great changes that have taken place in spiritual and social life, when the fountain of new ideas spouted high, but it takes years and years for those views to permeate legal life. The influence of the French Revolution on private law is a striking example of this. It also shows how little of the radical changes they made lasted. Among other things, the entire family law would be overhauled: every inequality in inheritance had to be eliminated, children born in and out of marriage would be treated in the same way by law, the marriage had to be cancellable. Laws were passed that made all this happen—but ten years later, when the Code Civil was redacted, most of it, if not already gone, was removed again. The abolition of the priority of the firstborn in inheritance continued. The matrimonial law of the Code was certainly not entirely identical to that of the ancien régime, but it was nevertheless more similar to it than to the revolutionary legislation of the intervening period: the child born illegitimately was returned to its dark legal position from the past.

64

   Maar niet alleen in de betrekkelijk geringe beteekenis van revoluties voor de rechtsontwikkeling is de continuïteit van het recht te zien, ook in de aanpassing van het bestaande, die zich in allerlei gestalten bij het doorbreken van nieuwe gedachten vertoont. Oude vormen krijgen nieuwe waarde door ze voor nieuwe doeleinden bruikbaar te maken. Nieuwe zakken voor nieuwen wijn is niet de leus der rechtsvorming geweest. De gedachte brak baan, dat een verplichting tot schadevergoeding kon bestaan ook indien dengeen, die de schade toebracht geen schuld was te wijten — hoe realiseerde zij zich? Doordat men het begrip “schuld” zeer ruim nam, doordat de bewijslast werd omgekeerd en van den aangesprokene werd gevergd zijn onschuld, niet van zijn tegenstander om de schuld te bewijzen, in één woord: door kleine middeltjes, die schijnbaar in hoofdzaak alles bij het oude lieten. Dit is een klein voorbeeld uit het rechtsleven van den laatsten tijd. Zien wij in het groot niet hetzelfde in de verhouding tusschen werkgever en arbeider? Het blijft een dienstverhouding, een contractueele verplichting tot arbeid verrichten tegen loon, maar door inmenging van allerlei elementen, dwingende rechtsregels op vele punten, verzekeringsplicht, collectief contract, gedwongen arbitrage wordt de rechts-inhoud van de verhouding een andere. Hier staan we nog midden in de ontwikkeling. Zijn ook die gevallen, die ik in mijn tweede hoofdstuk besprak — waar het recht veranderde terwijl de wet dezelfde bleef — niet evenzooveel voorbeelden om te bewijzen, hoe door ombuiging van het bestaande recht het nieuwe wordt verkregen? Het nieuwe, dat als het plotseling kant en klaar als nieuw was voorgesteld, allicht zou zijn verworpen, wordt zoo in langzaam binnendringen aanvaard.

64

   But the continuity of law is not only apparent from the relatively minor significance of revolutions for the development of law, it is also apparent from the adaptation that the existing law undergoes in all sorts of ways when new ideas are breaking through. Old forms acquire new meaning by making them useful for new purposes. The slogan new bottles for new wine does not apply to the formation of applicable law. When the general understanding came about that even if the person who caused the damage was not to blame, there could still be an obligation to pay compensation, the question was how this could be implemented. By greatly broadening the concept of “culpability”, by reversing the burden of proof so that the person who was held liable for the damage had to prove his innocence instead of the other party having to prove his guilt, in short: by small means, which apparently mainly leave everything as it was. This is a small example from recent legal life. Do we not see the same happening on a large scale in the relationship between employer and worker? It remains a service relationship, a contractual obligation to perform work for a wage, but through the interference of all kinds of elements, in many cases by mandatory legal rules, such as the obligation of insurance, collective contract and forced arbitration, the legal content of the relationship changes. We are still in the midst of a development here. Also, aren’t those cases discussed by me in §2 — where the applicable law changed while the codified law remained the same — all examples to show how new law is obtained by bending the existing law? The new, which would probably have been rejected if suddenly presented ready-made as new, is accepted if it penetrates so slowly.

65

Dan de straf. Heeft zij niet èn nieuwe doeleinden verkregen in den loop der tijden met behoud van den ouden vorm èn nieuwe vormen aangenomen terwijl het doel hetzelfde bleef? Beginsel-verandering met vormbehoud of vormverandering met behoud van beginsel, maar beide aanpassing. Ik doe slechts enkele grepen. Sterk eindelijk werkt de continuïteit, waar vreemd recht en bloc wordt overgenomen. Een eigenaardig verschijnsel in de rechtsgeschiedenis, waarvan de receptie van het Romeinsche recht in West-Europa in de middeleeuwen het meest besproken voorbeeld is. Is zulk geheel nieuw recht eenigen tijd in werking, dan blijkt heel veel van het oude, afgeschafte recht te zijn gebleven, allerlei gerecipieerde instituten hebben rechts{152}gedachten overgenomen uit het recht, dat vroeger gold. Een Romein zou het Romeinsche recht der 18e eeuw b.v. niet als het zijne hebben herkend, een Middeleeuwer zou bij goed speuren in het schijnbaar Romeinsche heel wat inheemsch hebben teruggevonden. En ten slotte, ik wil hier kort zijn, blijkt de continuïteit in de techniek, de juridische begrippen, welke bij opstelling en handhaving der regels worden gebruikt. Zijn de onze nog niet voor een goed deel van Romeinschen oorsprong? Ook deze vormen voor wie nieuw recht opstelt een gegeven grootheid, waarmede hij rekening heeft te houden.

65

Then the punishment. Have there not been new punishment goals in the course of time while preserving the old form and new types of punishment while the goal remained the same? Change of principle with retention of form and change of form with retention of principle, but both forms of adaptation taken in themselves. I’m just doing a few grabs. Continuity has a strong effect when foreign law is taken over en bloc. This is not common in the history of law, but the reception of Roman law in Western Europe in the Middle Ages is a striking example. If such an entirely new law has been in force for some time, it appears that a great deal of the original, abolished law has remained. All kinds of new received institutes have then taken over legal ideas from the law that used to apply. A Roman, for example, would not have recognized the Roman law of the 18th century as his own, with a good search a medieval man would have found a lot of indigenous elements in the apparent Roman law. And finally, I want to be brief here, the continuity is apparent in the technology, that is to say in the legal concepts used in drawing up and enforcing the applicable law. Ours are still largely of Roman origin. Those who draw up new law, will have to take them into account as a given fact of importance.

66

   Voor ieder nieuw recht is het oude recht een gegeven, dat het aanvult, wijzigt, verbetert, maar nimmer geheel afschaft. Men denke nog aan de eerbiediging der verkregen rechten, het transitoire recht, aan de noodzakelijkheid voor iedere hervorming om partieel te werk te gaan, waardoor het noodig is weder verband te zoeken met de deelen der bestaande rechtsorde, die niet zullen worden opgeheven — en men zal het bestaan der continuïteit niet kunnen ontkennen.
   Hier ligt de beteekenis van de historie voor de rechtsvorming. Er is veel over gestreden. Tegenover hen, die eerbiediging van het “historisch gewordene” prediken, die in de historische lijn willen blijven, staan de neokantianen7, die met onverbiddelijke consequentie volhouden, dat van feiten tot normen geenerlei brug ligt, dat uit hetgeen geschied is, nooit een besluit kan getrokken worden voor hetgeen geschieden moer. Wellicht terecht. Wellicht — wij willen niet onderzoeken in hoeverre ook voor een volk een bepaald feit normatief kan zijn. In ons persoonlijk leven kan een feit zóó luide tot ons spreken, dat wij er een aanwijzing van Gods wil in meenen te moeten zien, het als voor ons normstellend erkennen. Of dit ook in het volksleven zich kan voordoen, zooals de anti-revolutionaire Staatsleer betoogt, willen wij niet nagaan.8 Stellig is het moeilijk aan te wijzen, hoe die werking Gods in de geschiedenis te onderkennen. Gelijk staan de gevallen niet, de innerlijke ervaring, die ons het eerste oplegt, zal hier ons niet helpen.

66

   For the new law, the old law is a given that supplements, modifies, improves, but never completely abolishes it. Consider, for example, respect for acquired rights as a principle of transitional law and the need to proceed partially with each reform, so that the relationship must be worked out with the parts of the existing legal order that will not be abolished. It is clear from these examples that there is continuity.
   This highlights the importance of the way in which law comes about historically. There has been much controversy about the meaning of legal history. Opposite those who preach respect for the “historical” and who want to continue the historical line, are the neo-Kantians,
38 who insist with inexorable consequence that one can never conclude from facts to standards, that it is impossible to infer what has happened what should be done. Perhaps this is correct. Perhaps, but we are not concerned here with the question to what extent a certain fact can have normative significance for a people. In our personal lives a fact can speak so loudly to us that we think we should see it as an indication of God’s will and give it normative meaning for ourselves. It is not at issue here whether such a thing can also occur in the life of a people, as the anti-revolutionary political theory argues.39 It is clear that it is difficult to indicate how one could establish this working of God in history. The collective life of a people is something, to which the inner experience, which gives compelling meaning to facts in personal life, does not apply.40

67

   Maar wat daarvan zijn moge, het zwaartepunt van de beteekenis der historie voor de rechtsvorming ligt elders. In iederen rechtsregel komt tweeërlei samen: rechtsidee en te regelen verhouding. De historie hoort bij het tweede element. De verhouding, zooals zij historisch geworden is, niet de verhouding zoo maar zonder meer valt te regelen. Het zijn concrete, niet abstract gedachte verhoudingen tusschen menschen en die concrete verhoudingen zijn mede bepaald door het vroegere recht. Het is niet de vraag {153}of wij met het vérledene behooren te breken om vrij te komen tegenover zaken en tegenover personen, zooals Prof. Krabbe ons op het hart bindt .— het is de vraag of wij in het recht met het verleden kunnen breken. Denk U de vraag naar den meest gewenschten staatsvorm van ons land op dit oogenblik. Zou men die vraag kunnen beantwoorden zonder met het historisch gegeven der betrekkingen tusschen ons volk en ons koningshuis te rekenen? Stel de regeling van ons familierecht aan de orde. Het zou evenmin kunnen geschieden zonder ons tegenwoordig recht als resultaat van een ontwikkeling van eeuwen in de beschouwing op te nemen, als zij zou kunnen plaats hebben zonder te letten op de natuurlijke gegevens van geslachtsdrang of moederliefde. Wie waant dat hij uit niets schept, terwijl hij in waarheid slechts vervormt, zal bedrogen uitkomen. Het is niet omdat we de historie waarde toekennen op zich zelf voor de rechtsidee, dat wij bij het ontwerpen van nieuw recht ook letten op het historisch gewordene, maar wel omdat dit een deel vormt van de stof, die we in het recht hebben te verwerken.

67

   When one talks about the significance of historical development for the formation of law, something else is of prime importance. In every rule of law two things come together: the concept of law and the relationship to be regulated. The historical development belongs to the second element. The law does not regulate relationships in the abstract, but relationships as they have come about historically. It concerns the concrete relationships between people and these are partly determined by the former law. It is not a question of whether we should break with the past, as Prof. Krabbe tells us, so that we distance ourselves from events and persons, but whether we can break with the law of the past. Consider, for example, the demand for the most desirable form of government in our country at this moment. Could one answer that question without taking into account the historically developed relations between our people and our royal family? Or take the arrangement of our family law. This too cannot be conceived without considering the present arrangement as the result of a development of centuries, or without taking into account biological data of sex drive and maternal love. The one who thinks that he can create from nothing is deceived. In truth he can only mold what already exists. When designing new law, attention must be paid to historical development, not because the genesis in itself is important for the understanding of law, but because that history forms part of the material that must be incorporated into law.

68

Laat men hierin geen prediking van conservatisme zien. Het beroep op de historische lijn dient maar al te dikwijls om te behouden alleen maar om het behoud. Daar voel ik niets voor. Of de historische lijn al of niet wordt verbroken zal ten slotte wel de geschiedenis zelve beslissen, wij hebben daarvoor niet te zorgen. Wij weten niet of hetgeen wij als nieuw willen, blijvend zal zijn of voorbijgaan als een waan van den dag. Wij kunnen meest zelf niet goed zien wàt in een op een bepaald oogenblik gewenscht recht nieuw is, wat slechts voortzetting of weeropleving van het vroegere, dat blijkt vaak eerst achteraf. Ook ik sta tegenover dat beroep op het historisch gewordene meest eenigszins achterdochtig. Maar dit alles neemt niet weg, dat ook de historie bij de gegevens, die bij de rechtsvorming te verwerken zijn, hoort en dat de wetgever door dit gegeven gedwongen kàn worden zijn nieuwe gedachte liever in ouden vorm te geven, liever aanpassing te zoeken ter langzame voorbereiding van het nieuwe dan het oude weg te vagen en het nieuwe er flinkweg, dadelijk naar alle zijden doorgetrokken, voor in de plaats te stellen. Wanneer hij dat zal moeten doen, hoever die verplichting tot aanpassing gaat, valt evenmin in het algemeen te zeggen als in het algemeen kan worden uitgemaakt hoeveel invloed b.v. aan de nationaliteit op het recht moet worden toegekend.
   Tot de realiteiten, voor het zoeken van het recht van belang, reken ik eindelijk ook de macht den gevonden regel in de werkelijkheid te doen eerbiedigen. Wat voor den tegenwoordigen tijd in vele gevallen neerkomt op de mogelijkheid, dat de regel door de betrokkenen als recht zal worden erkend, met andere woorden: ook met hunne rechtsopvattingen zelve moet worden gerekend.

68

I am not preaching conservatism. It is true that history is often invoked for the sake of conservatism. I don’t feel like that. Whether or not the historical line is broken does not depend on us either, but is determined by history itself. We do not know whether what we now want to renew will be permanent or will turn out to have been a delusion of the day. For that matter, we are usually not even able to see for ourselves what is new in a legal provision desired at a given moment and what is merely a continuation or revival of the past. This often only shows up afterwards. I too am usually a little suspicious when invoking that which has grown historical. However, this does not detract from the fact that the information that must be taken into account in the formation of law also includes historical facts and that this can lead to the legislator being forced to mold new views into a traditional form. The legislator would rather seek adaptation in order to achieve a slow preparation for the new than to wipe out the old in order to replace it with a fully developed new law. When he will have to proceed in this way and to what extent that obligation to adapt goes, it cannot be said in general, any more than it is possible to determine in a general way how much influence to the law, for example, nationality should be given.
   Finally, the power to have the rules obeyed is also a reality that must be duly taken into account in the formation of law. At present, this usually means looking for a rule that will be recognized as law by those involved. This means that the convictions about applicable law of those involved must also be taken into account.

69

   Er is hier weer verschil tusschen de uitspraak der moraal en die van het recht. Het kan hem, die van een handeling in moreelen {154}zin getuigt: ,,dat is niet goed”, volkomen koud laten of de handelende zelf er anders over denkt. Hij kan er wellicht waarde aan hechten den man van zijn schuld te overtuigen, het al of niet gelukken dier pogingen kan op zijn oordeel niet den minsten invloed hebben. Voor het recht is dit anders. Natuurlijk niet in dien zin dat het voor een rechter van eenige beteekenis kan zijn of een der partijen of wellicht beide zijn vonnis voor onrecht houden. Dat is hun zaak, niet de zijne. Maar niemand die rechtsregels vormt, wetgever of rechter, kan er op den duur onverschillig voor zijn of zijn rechtsregels in de werkelijkheid als recht zijn te handhaven. Wie een rechtsoordeel afgeeft, met het bewustzijn dat dit toch niet wordt gevolgd, zal ten slotte moeten toegeven, dat het wel zijn overtuiging omtrent recht, niet recht is wat hij verkondigt. Het dualisme in het recht dwingt bij het zoeken naar de norm ook dit machtselement als gegeven te aanvaarden. De rechtsregel bedoelt verwezenlijking. Het recht is niet alleen norm, ook sociaal verschijnsel. Een norm, die straffeloos wordt overtreden, is ten slotte geen rechtsregel meer. Waar nu de macht van het recht in onzen tijd grootendeels rust op erkenning van de aan het recht onderworpenen, hetzij van den regel zelf, hetzij van de autoriteit, die hem geeft als tot rechtscheppen bevoegd, wordt ook de waarschijnlijkheid dier erkenning, dat is de rechtsopvatting van hen voor wie de regel bestemd is in de stof, bij de rechtsvorming te bewerken, opgenomen. Het verschil in aard tusschen regelingen, het verschil in feitelijke macht tusschen de organen, die recht vormen, zal aan dit element meerdere of mindere beteekenis verkenen. Nergens ontbreekt het geheel. Zelfs de sterkste macht is niet in staat een volk een regel, met zijn overtuigingen in flagranten strijd, op te dringen.

69

   It is important here again to make a distinction between the judgments of morality and of law. The person who morally disapproves of an action with the remark, “That’s not right,” may not care if the person who performed the action thinks otherwise. If he nevertheless tries to convince that person of his guilt, it will not matter to his judgment whether the attempt succeeds or not. This is different in law. Of course not in the sense that it matters to the judge whether one or both of the parties reject his judgment as injustice. That’s their business, not his. But no one who forms rules of law, be it the legislator or the judge,41 can in the long run be indifferent to whether his rules of law can actually be enforced as law. Whoever takes a legal decision, while aware that it will not be complied with, will have to admit that although the judgment reflects his conviction about law, it does not constitute law. Dualism in law forces us to take this element of power into account when looking for the norm. A legal rule aims at implementation. Law is not only a norm, but also a social phenomenon. A norm, which is continuously violated with impunity, is no longer a rule of law after a while. Today, the enforceability of law largely rests on the fact that rules are recognized as law by those who are subject to them. That recognition may concern the rule itself, but also the authority that was competent to issue the rule. That is why the material which is dealt with in the formation of law also includes the question of the probability of such recognition, that is, the question of the legal conception of those for whom the rule is intended. This element is not always equally important, the importance may be different depending on the nature of the arrangements or the actual power of the body making the arrangement. But it always plays a role. Even the strongest power is incapable of imposing a rule on a people that is in flagrant contradiction to prevailing beliefs.

70

   Door deze plaats aan te wijzen aan de rechtsovertuigingen der menigte stellen wij ons tegenover tweeërlei afwijkende opvatting, juist als bij de historie, zoowel tegen over hen, die deze opvattingen normatieve beteekenis toekennen als tegenover degenen, die haar belang ten eenenmale ontkennen. Voor de laatsten is de zaak zeer eenvoudig: wat goed is, wat behoort kan nooit afhangen van wat anderen — al zijn het ook nog zoo hoogstaanden — daarover oordeelen. Het komt, zegt b.v. Stammler ergens, op hetzelfde neer, alsof iemand, gevraagd of een horloge goed gaat, antwoordt, dat het gelijk loopt met de klok van den kerktoren. Hoe gebruikelijk zulke verwijzingen mogen zijn, van werkelijke waarde zijn zij niet. Stellig niet voorzoover men van normatieve waarde spreekt, zouden wij willen antwoorden. Maar voor de rechtsidee kunnen zij een gegeven zijn, dat bij het zoeken naar den goeden regel niet mag worden verwaarloosd. Het beroep op de heerschende meeningen, de in het volk levende overtuigingen en zoo meer komt veel voor, waar den rechter is opgedragen een uitspraak naar billijkheid te geven. Door overeenstemming met die {155}overtuigingen alleen is stellig niet uitgemaakt, dat de uitspraak inderdaad billijk is — maar de rechter, die van den wetgever de opdracht erlangde voor een bepaald geval den regel te vinden heeft gelijk, als hij zich afvraagt of zijn rechtsleer kans heeft door de betrokkenen te worden aanvaard. Doet hij dat niet, dan mag zijn uitspraak in het ééne geval dat hij berecht, al bindend zijn. recht in algemeener beteekenis wordt zij dan toch niet.

70

   With the emphasis in this way on the generally prevailing legal convictions, we take a position against two views that conflict with it. As with the question of the importance of legal history, we take a position both against those who attribute a normative meaning to it and against those who completely deny its importance. The latter simply argue that what is good and what ought to be can never depend on how others — no matter how lofty they are — judge it. Stammler, for example, makes a comparison somewhere42 with someone who, when asked if his watch is running well, answers that it is in sync with the clock of the church tower. As common as such references may be, they lack meaning. We would like to add this, especially when one speaks of normative meaning. Nevertheless, the existing legal convictions can be an important fact for thinking about law, which should not be neglected in the search for the applicable rule. Appeals to prevailing opinions, popular convictions, and the like are common in cases where it is the duty of the judge to give a judgment in fairness. It is certainly not possible to conclude from the agreement with those convictions that the verdict is indeed fair. Nevertheless, the judge, who was instructed by the legislator to find a suitable rule for a particular case, is right when he wonders whether his legal view has a chance of being accepted by those involved. If he does not do so, his ruling in the one case that he is adjudicating on will be binding, but will not be law in a more general sense.

71

   In de tweede plaats stellen wij ons tegenover hen, die de rechts-overtuiging zelf als norm-scheppend beschouwen. Wij stuiten hier op de opvattingen door Mr. Krabbe in de laatste jaren met krachtige overtuiging onder juristen gepropageerd. Voor hem is het rechtsbewustzijn de eenige rechtsbron.
   Onder de Nederlandsche rechtsgeleerden wordt in de laatste jaren getwist over de vraag, of er nog wel een grondwet moet zijn, d.w.z. of er een wet moet zijn, moeilijker te veranderen dan andere, die ook voor den gewonen wetgever bindend is. Krabbe heeft met al de felheid van zijn sarcasme en al den gloed van zijn hartstocht getracht zijn vakgenooten te doordringen van de noodzakelijkheid, dat bijzonder karakter aan de wet, die grondslag is onzer staatsorganisatie, te ontnemen. Door de wijziging van deze wet van bijzondere waarborgen (volstrekte meerderheid, nieuwe verkiezingen) te doen afhangen, vermindert gij de doorwerking van het rechtsbewustzijn in de wetgeving, bindt meerderheid aan minderheid, heden aan verleden, zoo luidt zijn requisitoir. Rechtsbewustzijn beteekent hier blijkbaar de overtuiging der meerderheid omtrent wat recht behoort te zijn. Als het er echter op aankomt de gronden van zijn opvatting uiteen te zetten, dan vindt men daaronder niet — wat men toch na het vorige zou mogen verwachten — dat het rechtsbewustzijn der meerderheid van ons volk die verandering in de Grondwet wenscht. Daarnaar heeft Krabbe geen onderzoek ingesteld, het zou vermoedelijk een negatief resultaat hebben opgeleverd: het groote publiek blijft voor de kwestie merkwaardig onverschillig. Neen, dan zijn het waardeeringen van Krabbe zelf, dan is het zijn rechtsbewustzijn, eigen overtuiging, in dit geval slechts door een minderheid gedeeld, die hem zijn tegenstanders doet toevoegen: gij hebt het recht niet de doorwerking van het rechtsbewustzijn eener meerderheid te belemmeren. In Krabbe’s eigen systeem had hij dat alleen mogen beweren, indien bewezen was, dat die meerderheid er juist zoo over dacht.

71

   Secondly, we take a stand against those who regard the prevailing legal conviction of the crowd itself as creating norms. Here we come upon the views which have been propagated with strong conviction among lawyers in recent years by Mr. Krabbe. For him, the legal consciousness is the only source of law.
   In recent years, Dutch legal scholars have been arguing about whether there should still be a constitution, i.e., whether there should be a law, which is more difficult to change than others and which is binding for the ordinary legislator. Krabbe, with all the fierceness of his sarcasm and all the fervor of his passion, has tried to impress upon his colleagues the need to remove that special character from the law which is the foundation of our state organization. He argues that making amendments to the constitution subject to special guarantees (absolute majority, new elections) reduces the possibility of the legal consciousness permeating legislation binding the majority to a minority and subordinating the present to past. Legal consciousness here apparently means the majority’s conviction about what law should be. However, if one analyzes the arguments for his view, one does not find, as one might expect on the basis of the above, the argument that the legal consciousness of the majority of our people wants that change in the Constitution. Krabbe has not investigated this and it would probably have produced a negative result, as the general public is remarkably indifferent to the issue. So they are just views of Krabbe himself. It is his own legal consciousness and belief, shared only by a minority in this case, on the basis of which he tells his opponents that they have
no right to block the permeation of the majority’s legal consciousness. According to Krabbe’s own system, he should only have said so if it had been proven that the majority felt the same way.

72

   Krabbe kent hooge waarde toe aan het rechtsgevoel. Zelf man van krachtige spontane overtuiging omtrent wat recht behoort te zijn, wil hij ook de overtuiging van anderen geëerbiedigd zien. Zoo komt hij er, denk ik mij, toe, hunne meening en, waar die niet eenstemmig is, die der meerderheid voor recht te verklaren. Haar rechtsbewustzijn moet zegevieren. Hiertegen valt tweeërlei aan te voeren. Vooreerst: al is het rechtsgevoel bron van recht, daarmee staat nog geenszins vast dat iedere rechtsovertuiging, {156}ja iedere wensch naar nieuw recht uit deze bron afkomstig is. En in de tweede plaats is er geen enkele waarborg, dat waar meerder- en minderheid tegenover elkaar staan, de eerste het recht op hare zijde heeft. De term rechtsbewustzijn wordt gebruikt zoowel voor wat wij rechtsgevoel noemden als voor de meening der meerderheid omtrent recht. Dit werkt verwarrend. Zoo komt men tot tegenstrijdigheden als ik aanwees. De Leidsche hoogleraar slaat de ethische waarde van het rechtsgevoel hoog aan, hij brengt die waardeering over op de overtuiging der meerderheid omtrent recht. Hij vergeet daarbij, dat het volkomen naturalistisch is — dus een ontkenning van het ethische — iets recht te noemen alleen omdat een meerderheid het zoo meent. Krabbe zelf maakt een vergelijking met het schoonheidsgevoel: “evenmin als wij iets leelijk kunnen noemen wat wij in ons innerlijk als schoon erkennen, evenmin kunnen wij recht en onrecht naar onzen wil fatsoeneeren”. De vergelijking is gevaarlijk, maar waar de schrijver zelf haar maakt, is het geoorloofd hem te vragen of hij meent dat iets schoon is omdat een meerderheid het zoo vindt? Al spreken nog zoo velen het uit — de schoonheidsemotie wordt er niet door verkregen.

72

   Krabbe places a high value on the sense of justice. Being himself a man with a strong spontaneous conviction about what the applicable law should be, he also wants the convictions of others to be respected. It seems to me that this leads him to label their opinion and, where it is not unanimous, that of the majority as the applicable law. According to him, the legal consciousness of the majority must prevail. There are two objections to this. First of all, this: even if the sense of justice is a source of law, this does not mean that every legal conviction, or every wish for new law, originates from this source. Secondly, there is no guarantee whatsoever that where majority and minority are opposed, the former has the applicable law on its side. The term legal consciousness is used both for what we called a sense of justice above and for the majority opinion about law. This is confusing. This leads to the contradictions indicated above. The Leiden professor considers the ethical value of a sense of justice to be high, but then includes the majority’s view of law under this. In this way he forgets that this is pure empiricism — in short, a negation of the ethical — to call something right simply because a majority thinks so. Krabbe compares the sense of justice with the sense of beauty43 and argues that just as we cannot call something ugly that we experience as beautiful in our inner self, we cannot call justice and injustice whatever we want. The comparison is dangerous, but since the author makes it himself, it is permissible to ask him if he thinks something is beautiful because a majority thinks so. Even if so many people say that something is beautiful, it still does not give a feeling of beauty.

73

Tot de norm komt men zoo niet, ook niet in het recht. Waar het rechtsoordeel echter een ethisch oordeel is, dat in onderscheiding van het aesthetische en ook van het zuiver moreele, op de mogelijkheid van realiseering in zekere groep aanspraak maakt, zal het aan de meening van de groep niet als iets onverschilligs mogen voorbijgaan. Maar die meening behoort tot de stof, waarover geoordeeld wordt, is niet grond van dat oordeel, allerminst de eenige grond.
   Wie aan de rechtsvorming deelneemt, staat tegenover de groep voor wie hij arbeidt ongeveer als een partijleider tegenover zijn partij. De leider geeft de koers, hij maakt alleen voor zich zelf uit, waarheen hij zal sturen, maar tegelijkertijd moet hij weten of de partij zich in die richting laat sturen. Daarvoor is het noodig, dat hij weet wat er in de partij omgaat, dat hij een ,,feeling” heeft hoever zijn wil zich laat opleggen. Maar ten slotte hangt aan zijn wil de beslissing. Wij hebben in onzen tijd in Dr. Kuyper en Mr. Troelstra mannen, die beiden deze gaven in hooge mate bezitten. Zij dwingen hunne partijen te volgen, de partij meent zelf gekozen te hebben. De wetgever moge andere middelen gebruiken dan de partijleider, hij, en ieder die aan de rechtsvorming meewerkt, kan hierin een voorbeeld aan hen nemen.
   Wie de rechtsnorm zoekt, heeft te erkennen dat zijn regel een macht moet zijn in het sociale leven. Gelijk het recht als verschijnsel niet kan worden beschreven zonder aanvulling uit het normatieve, zal het recht als norm niet gevonden kunnen worden zonder te rekenen met zijn feitelijke macht. {157}

73

In this way, the norm is not found, not even in the law. However, one should not indifferently ignore the prevailing opinion. Since the legal judgment is an ethical judgment which, unlike the aesthetic or purely moral judgment, claims the possibility of its implementation in a particular group, the opinion of that group cannot be ignored indifferently. That opinion, however, is not the ground of that judgment, and certainly not the only ground, but belongs to the matter to which the judgment relates.
   The relationship between the person who participates in the process of law formation and the group to which his work relates is similar to that between a party leader and his party. The leader sets the course and decides for himself in which direction he will steer, but at the same time he must know whether the party will allow itself to be steered in that direction. For this it is necessary that he knows what is going on in the party and that he has a “feeling” about the extent to which he will be able to impose his will. But in the end his will is decisive. In modern times, men like Dr. Kuyper and Mr. Troelstra both have this gift to a great extent. They force their parties to follow them, while the party has the impression that it has chosen that direction itself. Even if the legislator uses different means than the party leader, he and others who participate in the formation of the law would do well to follow their example.

   Whoever draws up a legal provision must be aware that the drafted new provision must represent a power in social life. Just as law as a phenomenon cannot be described without supplementing it from the normative point of view, law as a norm cannot be found without taking into account its actual enforceability.
44

74

§ 6 Recht en levensbeschouwing.

   Ideëele en reëele gegevens bij het zoeken naar recht, wij hebben ze in vluchtige opsomming aangegeven. Het is op zichzelf weder een waardeeringsvraag, hoever de laatste beteekenis mogen hebben, geheel ter zijde mag niemand ze laten. Tegenover het volstrekte oordeel der moraal heeft het recht reeds door zijn inter-individueel gelden altijd iets relatiefs. Wij mogen dit eenerzijds als een gebrek gevoelen, aan den anderen kant is het bij onze hopeloos uiteenloopende waardeeringen, bij onze versplinterde levensbeschouwing een waarborg dat tot op zekere hoogte recht kan gevonden worden, dat een ieder behoort te erkennen. Tot op zekere hoogte.— er blijven verschillen, waaromtrent overeenstemming niet is te bereiken, er komt een oogenblik, waarop het betoog stokt, waarom déze regel het juiste middel is ter bereiking van dàt doel, déze gemeenschappelijk erkende waarde hooger moet worden gesteld dan die, een oogenblik waarop ondanks alle gebondenheid aan de stof, natuur, historie en algemeene rechtsovertuiging, gelijkheid van beslissing niet meer is te bereiken en oordeel staat tegenover oordeel, levensbeschouwing botst tegen levensbeschouwing. Er is geen objectieve waarheid voor het recht — of liever is er alleen objectieve waarheid, indien men eenige fundamenteele waarden wil aanvaarden, die geenszins door verstandelijke redeneering te bewijzen of door zintuigelijke waarneming evident zijn. Geloovige en naturalistische levensbeschouwing staan tegenover elkaar — om slechts één principieele tegenstelling te noemen — er is voor beide niet één recht. Geen van beide heeft het recht haar recht als het recht aan andersdenkenden op te leggen. Zooveel mogelijk moet ieder tot zijn recht komen. Eerbiediging van de overtuiging van anderen: het is altijd doel en eer van de ware vrijzinnigheid geweest.

74

§ 6 Law and philosophy of life

   The above provides an outline of the ideal and real data that play a role in the search for applicable law. Although it is a choice how important one considers the real data, it is also clear that no one should completely dismiss them. While morality expresses an absolute judgment, the applicable law always has something relative because it must apply inter-individually. One can see this relative as a flaw on the one hand, but on the other hand it means that despite our hopelessly divergent choices and fragmented philosophies of life we ​​can still find to some extent an applicable law that everyone should recognize. To a certain extent, because there remain differences on which it is not possible to reach agreement. There comes a point when the argument falters as to why this rule is the proper means to that end, and why this commonly recognized value must be set higher than that. That is the moment when, despite all the bondage to matter, nature, history and general legal convictions, one cannot agree. Judgment then opposes judgment, philosophy of life clashes with philosophy of life. There is no objective truth to the law. To put it better, there is only objective truth insofar as one is willing to accept a fundamental value and take a philosophy of life as a starting point, which cannot be proved rationally nor can be demonstrated on the basis of observation. These philosophies of life are fundamentally opposite, such as, for example, the religious and the empirical, which both have a different conception of law. Neither of them has the right to impose their own legal convictions as applicable law on dissenters. Everyone’s opinion must be valued at its proper value. Respect for the convictions of others: true religious tolerance has always had this as its highest aim and highest virtue. 45

75

   Maar, kan gevraagd worden, leidt dit niet tot slapte van overtuiging? Indien ge erkent, dat er in het recht geen objectieve waarheid is te vinden dan alleen voor hen, die staan op het plan van eenzelfde levens- en wereldbeschouwing, indien ge eerbiediging van de overtuiging van anderen aanpreekt, geeft ge dan eigen overtuiging niet prijs? Is het niet bloedelooze slapte van geest, van iedere opvatting het betrekkelijk recht te zien? Heeft ooit rechtsovertuiging het gewonnen, zich in realiteit omgezet, die begon met toe te geven, dat mogelijk ook een ander gelijk had? Voor deze vragen bestaat reden juist tegenover heel wat slappe liberale rechtsfilosofie. Intusschen, aanprijzing van scepticisme ligt allerminst in onze bedoeling, ook niet van twijfel aan eigen verzekerdheid. Wie in moeizaam doorworstelen waarheid heeft gevonden, wie daarbij ervaren heeft, dat het ten slotte meer de waarheid was, die hem greep, dan eigen werk, dat waarheid veroverde, zal niet licht toegeven, dat wat hij voor waar houdt, mogelijk {158}ook onwaar kan zijn. Hij staat er voor in, is ten volle er van verzekerd, van transigeeren kan geen sprake zijn. Maar hij weet niet, waar hij het recht vandaan zou halen anderen op te leggen naar die waarheid te leven. Wij denken er niet aan, om met Lessing’s Nathan de beslissing welke der ringen de ware is aan de toekomst over te laten, wij moeten kiezen en wij kiezen — maar als een ander anders gekozen heeft, dan mogen wij trachten hem te overreden, het recht hem onze keus op te leggen hebben wij niet. En dan, ook in de waardeeringen, die in het recht werken, zit zoo veel subjectiefs, dat, ook al is overeenstemming omtrent fundamenteele vragen bereikt, nog altijd de mogelijkheid blijft, dat men toch weder uiteengaat. Het recht is niet te vinden door eenvoudige deduceering van een stel regels uit één waarheid. Daarvoor zijn de verhoudingen veel te gecompliceerd.

75

   One might wonder if this doesn’t lead to a weakening of conviction. If one recognizes that in law there is only objective truth to be found for those who start from the same philosophy of life and world and if one thereby preaches that the convictions of others must be respected, does this not mean that one gives up one’s own convictions? ? Isn’t it bloodless relativism to see the relative in every view? Has there ever been a legal belief that is generally accepted and has actually become a guideline for action, which stated from the outset that another legal belief might also be correct? These questions are justified, especially when one takes a lot of slack liberal philosophy into account. However, it is not at all intended to promote skepticism or to cast doubt on the certainty of beliefs. He who has struggled to find truth and has experienced that truth overtakes a person more than that he conquers him through his own effort, will not readily admit that what he believes to be true may also be false. He vouches for what he believes to be true, is completely sure of it, and does not think of making any compromises about it. But at the same time, he would not know where to get the right to force others to live his truth. It is not our intention to leave the decision of truth to the future like Lessing’s Nathan.46 We have to choose and we do. However, if another has chosen otherwise, we may try to persuade him, but we have no right to impose our own choice on him. Furthermore, the choices that play a role in law are often so subjective that even if agreement has been reached on fundamental points, the parties can always split up again in the elaboration. The law cannot be found simply by deducing a set of rules from a fundamental truth. The relationships are far too complicated for that.

76

   Geen objectieve waarheid omtrent het recht te bereiken — maar daarnaast de behoefte, dat uitgemaakt wordt wat recht is. De functie van het recht in de maatschappij maakt rechtszekerheid noodzakelijk. Men wil van te voren weten, welke gevolgen het recht aan zeker handelen verbindt, misbruik der machtsverhoudingen, die het recht verleent, kan alleen worden gekeerd, als nauwkeurig de bevoegdheid der machthebbers wordt begrensd. Onzekerheid van recht roept willekeur in het leven, verslapt de energie tot daden — men weet niet, hoever men kan gaan. Het recht vraagt om de formuleering, de wet. Gelijk de heerscher zijn wil aan het volk oplegt, zoo zal het recht worden voorgeschreven, het wordt een bevel van een bepaald, met gezag bekleed persoon. Op zichzelf is dat goed. Er zijn in de samenleving zoo veel kleinigheden, waar het er minder op aankomt, wàt wij doen, dan dat wij allen hetzelfde doen en de een tegenover den ander op kan rekenen. Maar ook in de groote vragen, waar beschouwing staat tegenover beschouwing, rechtsovertuiging tegenover rechtsovertuiging, is behoefte aan een beslissing door een gezag. Er moet, al is het ook uiterlijk, een éénheid zijn. Men komt óf tot een doordrijven van het ééne gevoelen óf in verreweg de meeste gevallen, vooral waar als tegenwoordig in parlementaire staten de wetgeving in veelhoofdige vertegenwoordigende lichamen geschiedt, tot een compromis.

76

   About law nothing can be established as objective truth. Nevertheless, there is a need to determine what the applicable law is. The function of law in society necessitates legal certainty. One wants to know in advance what consequences the law will attach to a certain act. Abuse of the power relations created by law can only be prevented if the competences of those in power are strictly limited. Uncertainty about the applicable law leads to arbitrariness and weakens decisiveness — one does not know how far one can go. The law cannot exist without formulation, that is, legislation. Just as a ruler imposes his will on a people, so law is imposed as the command of a certain person vested in authority. That in itself is good. There are many situations of little importance in society in which it matters less what we do than that we all do the same and that one can count on each other. But even when it comes to big questions, where views are opposed and one legal conviction clashes with another, there is a need for a decision by the authority. There must be a unity, even if only for appearances. This sometimes leads to the imposition of a view, but in the vast majority of cases to a compromise, especially in today’s parliamentary states where legislation is passed through many-headed representative bodies.

77

   Strijd moge noodzakelijk zijn, eens moet er vrede komen, alleen door toegeven van weerszijden is die te verkrijgen. De schoolstrijd leert het. De rechtsche partijen hebben met een kracht, waarvoor een ieder eerbied moet hebben gevochten tegen wat haar onrecht leek, nu komt het oogenblik: nog een enkele concessie, en dan bergen wij onvervulde wenschen op voor later. Niet omdat zij overtuigd zijn, ook niet omdat wat zij zouden vragen door de gebondenheid aan wat in het volk leeft toch niet zou zijn te verkrijgen, maar als toegeven, ter wille van den vrede. Merkwaardig is, dat vaak achteraf beide partijen met de verkregen solutie vol{159}komen tevreden zijn, geene verandering meer wenschen. De waarde van den vrede wordt dan op het einde hooger gesteld dan het verlies, dat door de concessie werd geleden.
   Maar, zoolang die tevredenheid nog niet is verworven, zoo dikwijls ook de meerderheid der minderheid haar recht oplegt, zal er voor het bewustzijn van hem wiens rechtsovertuigingen niet in de wet zijn opgenomen, een breuk zijn tusschen het recht foor de wet en het recht van de wet. De abstracte formuleering van regels, waarvan de wetgever zich bedient en noodzakelijkerwijze zich bedienen moet, vergroot die breuk. Zij bestaat soms niet alleen voor deze of gene partij, deze of gene opvatting, maar voor allen. Het is onmogelijk in een abstractie de rijke veelvuldigheid van het leven te vatten, in negen en negentig van de honderd gevallen mag de wetsbepaling voldoen, in het honderdste wordt zij tot onrecht. Toch moet zij worden toegepast. De formule is onbuigzaam, onveranderlijk, het leven verandert voortdurend, tegelijkertijd het recht. Voor wie recht toepast schijnt het dan, alsof wat hij krachtens zijne overtuiging voor recht houdt, slechts een wensch is tegenover de wet, een critiek op haar inhoud — het recht zelf is de wet.

77

   Even though struggle is inevitable, someday peace must come and this can only be realized if both sides give in. The school struggle shows that. One can respect the strength with which the right-wing47 parties have resisted what in their eyes was injustice, but now the moment has come for one more concession, after which the unfulfilled wishes must be put away for later. Not because one is convinced, nor because one knows that one could not have got what one asked for because of the prevailing opinion, but as a concession, for the sake of peace. It is striking that afterwards both parties are often completely satisfied with the compromise obtained and do not want any more changes. The importance of the peace is then ultimately considered higher than the loss suffered by the concession.
   But, as long as that contentment has not yet arisen, every time a majority imposes its view of applicable law on a minority, those whose legal beliefs are not enshrined in law will experience a rift between the applicable law as it ought to be and the codified law. The abstract formulation of rules, which the legislator uses and must necessarily use, increases this rift in a way which can concern all instead of only minority parties or convictions. The abstract formulation makes it impossible to do justice to the rich multiplicity of life and therefore it may happen that although a legal provision is sufficient in ninety-nine out of a hundred cases, in the hundredth case it leads to injustice. However, the statutory provision must also be applied in that case. Confronted with a formulation of the provision, which is inflexible and rigid and the fact that life is constantly changing with its associated legal consequences, the one who applies law may conclude that the law, applicable by virtue of his conviction, is only a personal wish which goes against the codified law and comprises a critique of its content, in other words that applicable and codified law are the same.

78

Maar het kan zijn, dat wie de toepassing ondergaat zoowel als de rechter, die handeling gevoelt als onrecht, als iets dat niet alleen geen recht behoorde te zijn, maar ook geen recht is. Het recht sluit een behooren in zich, scheiding tusschen het recht, dat op een bepaald oogenblik op een bepaald geval behoorde te worden toegepast en het recht, dat voor die verhouding geldt, is principieel niet te maken. Van wenschelijk recht kan men alleen spreken voor een min of meer verre toekomst. Beweert men van eenigen regel, dat hij op een bepaald oogenblik recht behoorde te zijn, dan beweert men tevens, dat hij recht is, zij het dan enkel als norm voor een concrete verhouding. En dat het niet maar wenschelijk, ook werkelijk recht is, waarvan wij hier spreken, blijkt als de wetgever maar eenigszins de sluizen openzet, den rechter of de betrokkenen vrij laat, dan stroomt het binnen. De wet moge dijken hebben opgeworpen, waardoor de rechter wordt verhinderd den stroom zijn weg te laten zoeken, door “ombuiging” en ,,interpretatie” dringt de rechtsovertuiging in de wetstoepassing, is het dikwijls slechts een kwestie van tijd of de wet wordt omgeworpen. In hoeverre dit mag, in hoeverre rechter en bestuursorganen bij hun zoeken naar recht de wet hebben te eerbiedigen — het zijn vragen, die wij hier niet kunnen behandelen.

78

Yet it may happen that the person to whom the law is applied or who, as a judge, applies the law, does not experience that application as something that feels like injustice, but as something that not only doesn’t ought to be applicable law, but actually isn’t. Applicable law necessarily includes a duty. It is basically impossible to separate the law that should be applied to a particular case at a given moment from the law that applies to that relationship in general. One can only speak of desirable law if one means law for a more or less distant future. If one claims that a certain rule ought to be applicable law at a certain moment, then one claims that that rule is applicable law, that is, the norm for that concrete relationship. That it is not only a question of desirable but of actual law becomes apparent when the legislator releases the judge or the persons involved. Then the floodgates are opened and legal conviction flows in. It may be that the law erects dykes, preventing the courts from letting the flow find its way, but through “reversal” and “interpretation” the legal convictions penetrate into the application of the law and it is often only a matter of time that the law is overthrown. It is not possible to discuss the extent to which this is allowed and to what extent judges and administrative bodies have to respect the law in their search for applicable law.

79

   Slechts twee opmerkingen. Vooreerst deze, dat ook waar hun is opgedragen zelf het recht te vinden, zij de waardeeringen van den wetgever hebben te eerbiedigen. Voor hen behoort de bestaande wet tot de stof, die zij bewerken. En dan, wat er mee samenhangt, het is ongewenscht, dat den rechter of het bestuur vrijheid wordt gelaten in vragen, die direct met principieele tegenstellingen van opvatting in het volk samenhangen. In onzen tegen{160}woordigen tijd behooren dergelijke tegenstellingen in het parlement te worden uitgevochten of door compromis bijgelegd, niet door den rechter te worden beslist. Van den rechter verwacht men onpartijdigheid, eerbiediging van ieders overtuiging, zulke vragen zijn alleen uit een bepaald standpunt, partijdig, als men wil — mits niet in ongunstigen zin genomen — te beantwoorden, ‘s Rechters eigen opvattingen mogen in het algemeen zijn uitspraken kleuren, daar is het een tint, die hij er aan geeft, een nuance — hier zou hij duidelijk kleur moeten bekennen. Hier is a priori iedere oplossing door de wet, zij het met achteruitzetting van de een of andere bepaalde levensleer, beter dan geene oplossing.
   De wet zelve heeft waarde. Orde en zekerheid eischen gehoorzaamheid aan de wet. Ook wie meent, dat hare beslissing niet de goede is, wie zich in zijn rechtsovertuiging gekrenkt gevoelt, zal haar hebben te volgen. Intusschen, die gehoorzaamheid heeft hare grenzen. Het recht is niet de hoogste waarde. Het tragisch conflict tusschen het volgen van het geldende recht en het leven naar eigen rechtsovertuiging kan zoo hoog loopen, dat de oplossing enkel in eigen geweten is te vinden.

79

   Just two comments. First of all, it is important that judges have to respect the assessments of the legislator, even when the latter has instructed them to find the law themselves. They are to understand the existing law as part of the matter they are working on. Further, closely related to this, it is undesirable for judges or administrators to be left free with regard to questions directly related to fundamental contradictions of opinion in the people. In the present times, such contradictions should be fought out in parliament or settled by compromise and not decided by the courts. The judge is expected to be impartial, to respect everyone’s convictions, while such questions can only be answered from a certain point of view, partial, if one likes, but not in an unfavorable sense. The judge’s own conviction will generally color his statements, but then it is a matter of a shade or nuance, while he must clearly show color in such contradictions. In such matters, any solution by law is a priori better than no solution, even if it subordinates a particular philosophy of life.
   Legislation is important. Order and security require obedience to the law. Whoever thinks that the decision in the law is not the right one, who feels offended in his legal conviction, will have to follow the law. However, that obedience has limits. The right does not represent the highest value. The tragic conflict between following the applicable law and living according to one’s own legal conviction can become so high that the solution can only be found in one’s own conscience.

80

Onvoorwaardelijk volgen van het recht, kan niet worden verlangd. Summum jus summa injuria, stellig is het waar in den zin, die Stammler er aan gegeven heeft: het recht als de hoogste wet is het grootste onrecht. Wat ik in goede conscientie niet màg en niet kàn doen, zal ik ook niet doen ter wille der wet. Men zal God meer gehoorzamen dan de menschen. Wordt zulk een verzet algemeen, het kan tot revolutie leiden. Wettelijk moge de revolutie nimmer te verdedigen zijn: de wet onderstelt en moet onderstellen, dat haar te gehoorzamen hoogste plicht is — voor onze rechtsovertuiging kan zij volkomen gerechtvaardigd zijn. De gewetensvrijheid is grond en grens van het recht. Haar kan de macht van het recht niet aantasten.
   Intusschen te snel moet men het bestaan van zulk een conflict niet aannemen. Het is nu eenmaal niet anders, wij allen hebben te dulden dat als “recht” geldt, wat wij niet als ,,recht” erkennen. Onze levensbeschouwingen zijn te verschillend, de intuïtief aanvaarde waarden en idealen te uiteenloopend, dan dat iemand — ook al zou de gebrekkigheid onzer wetgeving, de langzame gang onzer rechtsvorming overwonnen zijn — volkomen kan bereiken wat hij zou wenschen. Wie het recht van uit eigen grond-opvattingen hervormd zou willen zien, doet beter te streven naar het doordringen zijner overtuiging, dan te pogen het recht naar zijn wil te vervormen. Het is alleen iets uiterlijks wat hij daarmee bereikt. Het kan onrecht zijn tegenover andersdenkenden. Strijdt voor uwe levens-idealen en levenswaarden, poogt niet ze door rechtsregels op te leggen aan anderen. Wint gij den strijd, zij zullen dan zeker in het recht doordringen. Maar bergt ze ook niet op, als ge aan de rechtsvorming mede-arbeidt. Het is een begrijpelijke schroom, als men zulke teer-innerlijke waarden als religieuse{161} overtuigingen voor de binnenkamer bewaart, meent er in de samenleving niet van te moeten reppen en haar bij de rechtsvorming te mogen negeeren, het leidt echter onvermijdelijk tot schade voor die waarden zelf. Wie meent rechts- en levensopvatting te kunnen scheiden, schaadt beide, hij vervalscht zijn rechtsovertuiging, omdat hij het teruggrijpen op de hoogste waarde stelselmatig vermijdt en een ook voor hem mindere waarde, het geluk van het zoo groot mogelijk getal b.v. tot de hoogste maakt. Hij verhindert zijn levensbeschouwing zijn geheele leven te doordringen, de boom kan niet naar alle zijden zijn takken uitstrekken, zijn groei wordt belemmerd. En de schade is niet enkel individueel, het recht mag nooit propaganda-middel zijn voor religie — het zal er anders uitzien, indien het van uit een religieuse, dan van uit een naturalistische levensleer is gevormd.

80

It is impossible to demand that people follow the law unconditionally. The well-known Latin proverb “Summum jus summa injuria” is 48certainly true in the sense Stammler gave it: Justice as the supreme law is the greatest injustice. What I am not allowed to and cannot do in good conscience, I will not do because the law demands it. People will obey God more than men. If this kind of resistance becomes general, it can lead to revolution. Revolution can never be legally founded: the law presupposes and must presume that obedience to the law is the highest duty. But from someone’s legal conviction revolution can be completely justified. Freedom of conscience is the ground and limit of the law. The power of the law has no hold over the conscience.
   However, it is important not to assume that such a conflict exists. It is inevitable that we have to accept that there are rules that count as “law”, while we do not recognize them as “law”. Our philosophies of life are simply too different and our intuitively accepted values ​​and ideals diverge too widely for a person to be able to achieve exactly what he would wish for, even if the deficiencies of the legislation and the slowness of the law-making process were overcome. If one believes that the law should be fundamentally reformed, it is better to strive to instill one’s own convictions on others than to try to change the law. The latter would have only external meaning and could involve injustice towards dissenters. It is better to fight for one’s own life ideals and values ​​than to try to impose legal rules on others. If the battle for ideals of life is won, they will certainly permeate the law. At the same time, it is important not to lose sight of one’s own ideals of life when one contributes to the formation of law. It is understandable if one is hesitant to bring out religious beliefs and prefers to keep such delicate inner feelings indoors. However, if one thinks that religious convictions should not be discussed in society and that they should be ignored in the formation of the law this inevitably will lead damage for those religious convictions themselves. The one who thinks that he can separate the conception of law from the philosophy of life inflicts damage on both. He distorts his legal convictions by systematically avoiding going back to the highest value and making highest another value, which is less important to him, such as, for example, the happiness of the greatest number of people. He thus prevents his philosophy of life from permeating his entire life and from growing like a tree that stretches its branches in all directions. This not only damages the individual, but also the law. It is true that law may never be a propaganda tool for religion, but law that is formed from a religious ideology will be different from law that is formed from an empirical ideology.

81

   Recht en levensbeschouwing, zij hangen ten nauwste samen. De waarheid in het recht is enkel waarheid voor wie op den bodem derzelfde levensopvatting staan — wat wij als recht erkennen, is immers door onze levensidealen gekleurd.
    tijd schreeuwt om nieuw recht. Fabelachtig is zijn rechts-productie — doch de eischen stijgen, naarmate zij worden vervuld. Om een nieuwe rechtsorde, hervorming van heel de samenleving roepen velen. Zij meenen dat als die hervorming eenmaal is tot stand gebracht, er vrede zal zijn onder de menschen, de schoonheid zal herleven, de religie wellicht. Zij vergeten, dat de rechtsorde niet het primaire is. Of een bepaalde rechtsorde na te streven is, kan tenslotte enkel aan de hoogste waarde, die wij in het leven erkennen, worden getoetst, van het doordringen van die levensbeschouwing hangt de verwezenlijking of benadering van het als ideaal gesteld recht af.
   Het is mijn innige overtuiging, dat slechts een nieuwe religiositeit ons kan doen opklimmen uit de ellendig verbrokkelde cultuur van nu. Wordt die ons gegeven, dan zal ook de nieuwe levensstijl gevonden worden voor staat en samenleving, voor bedrijf, handwerk en kunst. Zonder haar zijn alle pogingen daartoe onmachtig. En dàn — maar ook dan eerst — zal het mogelijk zijn gezamenlijk te komen tot een beter recht, een recht, waarin de breuk tusschen wat geldt en wat moet gelden naar algemeene overtuiging, minder groot zal zijn dan thans.
   Een nieuwe religiositeit — niet een nieuw geloof. W’ie van de waarheid, in het Evangelie geopenbaard, ook maar iets heeft begrepen, weet dat in het Christendom onuitputtelijke rijkdom ligt besloten.
   Moge die herleving ons geschonken worden.

81

   Law and philosophy of life are very closely related. There is only truth to be found in law insofar as one starts from the same conception of life. After all, our ideals of life determine what we recognize as right.
   In the present time there is a call for new law. The legal production is fabulous. However, the demands increase as they are fulfilled. Many people desire a new legal order, a reform of society as a whole. They think that when that reformation is accomplished there will be peace among the people, beauty will be revived and possibly religion too. In doing so, they forget that the legal order is not primary. The question of whether a particular legal order is worth pursuing ultimately depends on what we recognize as the highest value in life. The extent to which the ideal law can be approached or realized depends on the extent to which the associated philosophy of life is accepted in society.

   It is my deep conviction that only a new religiosity
49 can lift us out of today’s miserably fragmented culture. If that new religiosity is given to us, then a new lifestyle will also be found for state and society, for business, handicraft and art. Without it, all attempts to develop such a new lifestyle are doomed to fail. Only when such new religiosityit is realized, will it be possible to jointly arrive at a better law, that is, a law in which the rift between what applies and what is generally believed to apply will be smaller than it is now.

   A new religiosity — not a new faith. Whoever has comprehended anything of the truth revealed in the Gospel knows that in Christianity there is inexhaustible riches.

   May that revival be given to us.

82

no text

82

Literature

Boekholt, P. Th. F. M, and E. P. de Booy. Geschiedenis van de school in Nederland: vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd. Assen: Van Gorcum, 1987.Bülow, Oskar, and Johann Braun. Gesetz und Richteramt (1885) ; Ueber das Verhältnis der Rechtsprechung zum Gesetzesrecht (1906). Berlin: BWV, Berliner Wissenschafts-Verlag, 2003.Chantepie de la Saussaye, P. D, and K. H Rossingh. Het christelijk leven. Haarlem: F. Bohn, 1922.Cicero, Marcus Tullius, and Walter Miller. Cicero De Officiis, with an English Translation. Cambridge, Mass.: Harvard University Press, 1961.Durkheim, Émile. The Division of Labor in Society. Translated by George Simpson. New York: Free Press, 1984.Hamaker, Hendrik Jacob, Cornelis Willem Star Busmann, and Willem Leonard Pieter Arnold Molengraaff. Verspreide Geschriften … Verzameld Door Mr. W.L.P.A. Molengraaff En Mr. C.W. Star Busmann. Haarlem, 1911, etc, 1911.Huber, Eugen. ‘Über Die Realien Der Gesetzgebung’. Zeitschrift Für Rechtsphilosophie in Lehre Und Praxis., 1914, 37–94.Huppes-Cluysenaer, Liesbeth, Marjanne Termorshuizen-Arts, Cassandra Steer, and Paul Scholten. ‘General Method of Private Law, English Translation of the First Chapter of the General Volume of the Asser-Serie on Dutch Civil Law, Written by Paul Scholten’. Edited by L Huppes-Cluysenaer. DPSP Annual, II: New Translations, Volume 1 (2020).Jansen, Corjo. ‘Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts’. Netherlands Journal of Legal Philosophy 48, no. 2 (2019): 165–84.Kelsen, Hans. The Natural-Law Doctrine before the Tribunal of Science. Salt Lake City, Utah: University of Utah Press, 1949.Leendertz, A.C. ‘De grond van het overheidsgezag in de antirevolutionaire staatsleer’. De Bussy, 1911.Lessing, Gotthold Ephraim, Koster, Edward B. Nathan de wijze: tooneelspel in 5 bedrijven. Amsterdam: Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, 1915.Menzel, Ado. Naturrecht und Soziologie. Wien [etc.: Hof-Buchdruckerei, 1912.Montesquieu, Charles de Secondat. De l’esprit des lois. Edited by Laurent Versini. Vol. I and II. Paris: Gallimard, 1995.Novalis, Ria van Hengel, and Arnold Heumakers. De blauwe bloem. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2006.Novalis, and Gerhard Schulz. Novalis Werke. München: C.H. Beck, 1969.Rickert, Heinrich. Die Philosophie des Lebens, Darstellung und Kritik der philosophischen Modeströmungen unserer Zeit, von Heinrich Rickert. Tübingen: J.C.B. Mohr, 1920. https://www.gleichsatz.de/b-u-t/begin/rick22c.html.Savornin Lohman, Bonifacius Christiaan de, and A.C Leendertz. De grond van het overheidsgezag in de antirevolutionaire staatsleer, door A.C. Leendertz. S.l.: s.n., 1912.Scheler, Max. Der Formalismus in der Ethik und die materiale Wertethik (mit besonderer Berücksichtigung der Ethik Immanuel Kants). Halle a.d.S.: Max Niemeyer, 1913. http://books.google.com/books?id=Ti42AQAAMAAJ.Scholten, Paul. ‘3. Recht En Liefde’. In Verzamelde Geschriften van Prof. Mr. Paul Scholten, edited by G.J. Scholten, Y Scholten, and M.H. Bregstein, I:162–87. Tjeenk Willink, 1949.———. ‘6. Recht En Billijkheid’. In Verzamelde Geschriften van Prof. Mr. Paul Scholten, edited by G.J. Scholten, Y Scholten, and M.H. Bregstein, I:225–81. Tjeenk Willink, 1949.———. ‘7. Recht En Moraal’. In Verzamelde Geschriften van Prof. Mr. Paul Scholten, edited by G.J. Scholten, Y Scholten, and M.H. Bregstein, I:282–95. Tjeenk Willink, 1949.———. ‘15. De Structuur Der Rechtswetenschap’. In Verzamelde Geschriften van Prof. Mr. Paul Scholten, I:432–70. Zwolle: Tjeenk Willink, 1949.———. ‘17. Afscheidsrede’. In Verzamelde Geschriften van Prof. Mr. Paul Scholten, I:493–505. Zwolle: Tjeenk Willink, 1949.———. ‘64. De Waarde van Het Romeinse Recht’. In Verzamelde Geschriften van Prof. Mr. Paul Scholten, edited by G.J. Scholten, Y Scholten, and M.H. Bregstein, III:170–89. Tjeenk Willink, 1951.———. ‘Algemene Methode van het Privaatrecht, Bewerkte Heruitgave van het Eerste Hoofdstuk van het Algemeen Deel van de Asser-serie.’ Edited by Liesbeth Huppes-Cluysenaer. DPSP Annual, III: Edited Reissues, Volume 1 (2020).Stammler, R. Theorie Der Rechtswissenschaft (Origineel 1911). BiblioLife, 2013. https://books.google.fr/books?id=t8SzngEACAAJ.Vlugt, W. van der, Rijksuniversiteit te Leiden and Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Mr. W. van der Vlugt’s Belangrijkste geschriften: ter eere van zijn zeventigsten verjaardag verzameld door de leidsche Faculteit der rechtsgeleerdheid., 1923.Weber, Max. Politik als Beruf, 2020. https://nbn-resolving.org/urn:nbn:de:101:1-2020100723005731156937.

83

Eindnoten
1Verspreide Geschriften VI, blz. 78.
2I blz. 89 vlg.
3Nl. door Prof. Mr. Hijmans.
4Grundzüge der Rechtsphilosophie.
5Zeitschrift für Rechtsphilosophie I blz. 39.
6Met de voorstelling, dat die realiteit en het recht tot elkaar zouden staan als oorzaak en gevolg heeft deze meening gelijk Huber terecht opmerkt niets te maken.
7Ten onzent vooral Mr. v. d. Vlugt.
8Vgl. hierover het verdienstelijke proefschrift van A.C. Leendertz (1911) en de critiek daarop van B. C. de Savornin Lohman in Themis 1912.

83

Endnotes


1Art 13 Wet Algemene Bepalingen (1838), still in force.
2Bülow and Braun, Gesetz und Richteramt (1885) ; Ueber das Verhältnis der Rechtsprechung zum Gesetzesrecht (1906).
3Les juges de la nation ne sont que la bouche qui prononce la parole de la loi, des êtres inanimés qui n’en peuvent modérer ni la force ni la rigueur. Montesquieu, De l’esprit des lois.
4Corjo Jansen describes how the topicality of these kinds of questions led to the foundation of the Association for Philosophy of Law in 1918. “In the late autumn of 1918, the end of the First World War.1 the Netherlands had escaped the devastation of the battlefield. Yet the consequences of the war were disastrous for the Dutch population, Dutch industry, Dutch trade and the Dutch money and banking system. E.M. Meijers (1880-1954) and P. Scholten (1875-1946) already wrote on 22 August 1914 in an article in the WPNR that the law seemed to have lost all authority. ‘With the magic word ‘force majeure’ one thinks that one is freed from all his obligations.’ They even spoke of ‘the reigning anarchy’. The parties unilaterally terminated supply contracts without any justification. Banks refused credit promises, stating that time and circumstances did not permit fulfillment. Injustice supplanted the law and this phenomenon occurred in all aspects of life.” Jansen, ‘Het 100-jarige bestaan van de Vereeniging voor Wijsbegeerte des Rechts’.
5Speaking of a law behind the law introduces a metaphysical/supra naturalistic perspective into Scholten’s work and not a sociological perspective.
6In 1915, the formulations have since been adapted.
7For a brief explanation of the constitutional discussion on private schools, see https://paulscholten.eu/biography-of-paul-scholt-en/#Education
8In 1956 the legal incapacity of women was abolished.
9This sentence is the prelude to section 3, in which Scholten gives his view on sociological research. Scholten has a great interest in social science. However, he rejects the idea of a sociology of law with an increasing body of common knowledge about the social practice of law. According to Scholten, sociology is based on various worldviews that influence the researcher’s view. Unity between philosophies of life arises through compromises for specific concrete situations, not on a general level through empirical research or through a historical process. The search for compromises is an ethical task and not just a pragmatic one.
10Scholten has a dualistic ontology and emphasizes that general statements do not correspond to reality, i.e. that the minor in a syllogism is never evident. Dualism sees the gap between general statements (thinking/speaking/writing) and reality as fundamental and unbridgeable. Acting in specific concrete situations fulfills a bridging function in which mental capacities other than rational ones play an important role.
11Rickert defended Verstehen as new method for the social sciences. This method emphasizes the individual meaning of events as opposed to the general approach of the scientific method. The individual meaning is understood from a values perspective. In § 4 Scholten takes a closer look at sciences that work explicitly from a value perspective and in § 3 he focuses on the naturalistic, i.e. empirical social sciences and humanities that claim to be purely descriptive.
12Reference made by Paul Scholten: Hamaker, Busmann, and Molengraaff, Verspreide Geschriften.Verspreide Geschriften VI, blz. 78.
13At the level of worldviews a choice is necessary, while it is impossible to determine – other than in a purely personal way – which choice is better. This statement is crucial for Scholten’s view in which subjectivism does not become relativism, but a requirement to take responsibility for ones choices. He does so in this essay by explicitly stating his choice.
14Scholten uses a Latin quote: Non spectandum est quid Romae factum est quam quid fieri debeat (D.I.18,12). The same quote can also be found in Stammler, Theorie Der Rechtswissenschaft (Origineel 1911), chap. I.
15The reasoning here is the result of experience with legal practice, which shows again and again how easy it is to question facts and how impossible it is then to establish objectively the right of one of the two parties, as long as the parties do not contradict themselves.
16In Scholten’s conception sociology is thus in its core a political science.
17An interview with Dooyeweerd shows how people used the term democrat in his youth to characterize a personal style. Dooyeweerd about Anema in https://jgfriesen.files.wordpress.com/2016/12/interview.pdf
18Menzel, Naturrecht und Soziologie. According to Menzel, Comte’s positive stage of mankind corresponds to Plato’s ideal State. See on this also Kelsen, The Natural-Law Doctrine before the Tribunal of Science., footnote 88.
19Tua res agitur in the original text.
20See also General Method’. (block 32); Das Gesetz findet auf alle Rechtsfragen Anwendung für die es nach Wortlaut oder Auslegung eine Bestimmung enthält. Kann dem Gesetze keine Vorschrift entnommen werden, so soll der Richter nach Gewohnheitsrecht und, wo auch ein solches fehlt, nach der Regel entscheiden, die er als Gesetzgeber aufstellen würde. Er folgt dabei bewährter Lehre und Ueberlieferung.
21In his farewell speech from 1946 (17. Afscheidsrede’.), Scholten indicates that his inaugural speech from 1907 (64. De Waarde van Het Romeinse Recht’.(The Value of Roman Law)) was based entirely on Stammler’s ideas and that he still does not completely reject his ideas. Further references to Stammler in 6. Recht En Billijkheid’.(Law And Fairness’) and 7. Recht En Moraal’.(Law And Morality) 15. De Structuur Der Rechtswetenschap’.(The Structure Of Legal Science) show that for Scholten Stammler is the most important representative of the ideal element in law, but also that Scholten consistently rejects his rationalization of the ideal. For Scholten, the recognition of the importance of the ideal element in law means the awareness of the necessarily inadequacy of the applicable law and thus its changeable nature.
22Full quote in De vera religione 72: “Noli foras ire, in te ipsum redi; in interior homine habitat veritas. Do not desire to go out, but return to yourself. Truth dwells within man (trans. LHC).
23That truth in the ethical refers to a source of knowledge other than perception of the outside world and thinking is a key point of Scholten’s view. He thus stands in a long tradition that can be traced back to Aristotle, who in his Metaphysics refers to “other mental activities” as the basis for ethics. (M. 981b25). That this source of knowledge is purely individual, cannot be shared or transferred, is the most powerful argument ever for the central position of the individual in law and ethics.
24Scholten makes a distinction here that corresponds to the distinction that Max Weber will make in 1919 between a Gesinnungsethik and an Erfolgsethik in Politik als Beruf. https://www.textlog.de/2296.html and which was made in 1913 by Max Scheler in Der Formalismus in der Ethik und die materiale Wertethik.
25Scholten develops the concept “sense of justice” as a sociological category. See the great resemblance to Durkheim’s mechanical solidarity in chapter 2 of The Division of Labor in Society., from 1893. Scholten does not refer to Durkheim in his work, but to Duguit in “General Method.” Block 57/58. Duguit was inspired by the work of Durkheim, his collegue at the University of Bordeaux.
26Joseph Caillaux (1863-1944) was leader of the French Radical Party and Minister of Finance, but his progressive views in opposition to the military alienated him from conservative elements. He was accused of corruption, but was cleared by a parliamentary commission. Henriette Caillaux (1874 –1943) was his second wife. At the age of 19, she married Léo Claretie, a writer twelve years her senior. They had two children. In 1907 she began an affair with Caillaux while both he and she were still married. They married in 1911. Their joint assets were worth around 1.5 million francs, placing them among France’s wealthiest couples. The editor of the Le Figaro newspaper, Gaston Calmette, had received a letter belonging to Caillaux in which he appeared to admit having orchestrated the rejection of a tax bill while publicly pretending to support its passage. Henriette Caillaux believed that Calmette would publish other private letters that would demonstrate that Caillaux and she had had an intimate relationship while they were still married. She felt the only way for her husband to defend his reputation would be to challenge Calmette to a duel, which would destroy her and her husband’s life. At 5pm on 16 March 1914, she entered offices of Le Figaro, wearing a fur coat with her hands in a fur muff, and asked to see Calmette. When told he was away but would return within an hour, she sat to wait. Calmette returned at 6pm with his friend, the novelist Paul Bourget and agreed to briefly see Madame Caillaux. After being shown into Calmette’s office, Henriette Caillaux exchanged a few words with him, then pulled out a .32 Browning automatic pistol she had been concealing within the muff and fired six shots, Calmette was hit four times and was critically wounded. Henriette Caillaux made no attempt to escape and refused to be transported to the police headquarters in a police van, insisting on being driven there by her chauffeur in her own car, which was still parked outside. The police agreed to this and she was formally charged upon reaching the headquarters. Gaston Calmette died six hours after being shot. Henriette Caillaux’s trial dominated French public life. It featured a sworn, out-of-court oral testimony from the president of the Republic, an unheard-of occurrence at a criminal proceeding almost anywhere, along with the fact that many of the participants were among the most powerful members of French society. She was defended by the prominent attorney Fernand Labori who persuaded the jury that her crime, which she did not deny, was not a premeditated act but that her uncontrollable female emotions resulted in a crime of passion. She was acquitted in 1914. Information from https://en.wikipedia.org/wiki/Henriette_Caillaux.
27Josef Johannes Fourie (1879-1914), usually known as Jopie Fourie was executed by firing squad during the Rebellion of 1914–1915 against General Louis Botha, the then Prime Minister of South Africa.At the start of the First World War the South African government led by Louis Botha and other former Boer fighters against the English (https://en.wikipedia.org/wiki/Second_Boer_War) such as Jan Smuts, declared support for Britain and agreed to send troops to take over the German colony of German South-West Africa (Namibia). At that time three to four years of drought had devastated farms in parts of the Orange Free State. The government suppression of the 1913 and 1914 strikes on the Witwatersrand had alienated Afrikaner workers. This created a fertile ground for rebellion. Many Boers were opposed to fighting for Britain, especially against Germany, which was for many their ancestry and had been sympathetic to their struggle in the second Boer War. A number of them took part in a revolt known as the Maritz Rebellion. This was quickly suppressed, and in 1916 the leading Boer rebels in this rebellion escaped lightly (especially compared with the fate of leading Irish rebels of the Easter Rising), with terms of imprisonment of six and seven years and heavy fines. Two years later, they were released from prison. The only death sentence had been for Jopie Fourie, an Active Citizens Force (ACF) officer in the Union Defence Force, who without resigning his commission, led a band of rebels that inflicted 40% of the government’s casualties. His commando also fired on South African security forces during a brief truce. An Afrikaner delegation that included future prime minister D. F. Malan unsuccessfully petitioned Minister of Defence, Gen. Smuts, to extend leniency. Fourie was executed without a blindfold on 20 December 1914. https://en.wikipedia.org/wiki/Jopie_Fourie
28Scholten here refers to page 89 ff of Chantepie de la Saussaye in Het christelijk leven., I. On p. 89 Saussaye gives a reference to Vinet, by whom a new tone had been set in theology and Christian piety. Vinet sees conscience as the bond that connects the center of our personality to God. Vinet makes the comparison that conscience is like the ambassador of God within us. On page 91 Saussaye discusses the reproach of bottomless subjectivism as coming from the “lords of objective truth,” who adhere to a strict religion of observation, which he characterizes as strict, stern, and punctual, but inwardly false. In addition to Vinet, de la Saussaye also puts Herrmann and Kierkegaard against these “lords”, and characterizes the three theologians as people who never claim that a man can find truth or can resolve the moral struggle he finds inside. The three limit themselves to what they experience as truth.
29During his life, the early deceased Novalis (Georg Philipp Friedrich Freiherr von Hardenberg (1772 – 1801) did not publish much: Hymnen an die Nacht, the fragment collection Blüthenstaub, some poems that appeared here and there in almanacs and other magazines and the political fragments Blumen and Glauben und Liebe in the Jahrbücher der Preussischen Monarchie The rest of his oeuvre, mostly unfinished, was published posthumously, the most famous being the fragment of the novel Die Lehrlinge zu Sais, the oration Die Christenheit oder Europa, the Geistliche Lieder and Heinrich von Ofterdingen. Novalis’s bequeathed work (published in its entirety by Schulz in 1969: Novalis Werke.) consists of letters and diaries, apart from individual notes, thoughts, thoughts, suggestions for essays or fragments, excerpts and comments, ideas and ideas – an astonishingly versatile, often very enigmatic collection that takes up many hundreds of pages. Schulz distinguishes the writings into Lyric Work, Epic Work, Heinrich von Ofterdingen, and Theoretical Work. The quote given by Scholten comes from “Aus der Allgemeinen Brouillon”, p. 561, no 186. To give an impression of the type of text, I give below an anthology from pages 560 to 561, in which I do not venture a translation. Since in 1917 Scholten, like Novalis, deals extensively with Fichte in the essay3. Recht En Liefde’., I assume that Scholten worked in this period from an inspiration by Novalis. (Data partly taken from Heumaker’s afterword to the Dutch edition of Heinrich van Ofterdingen: The blue flower.)
30Nog opzoeken
31The terms technical and scientific refer to the sociological-functional approach introduced in the next paragraph.
32Die Wissenschaft ist notwendig wider das Leben”. The context of that quote is: “However, it has certainly not been established that theoretical behavior is the most valuable behavior and that science is therefore the highest cultural asset or even the highest good in general. Perhaps it is a justified ‘objection’ to the knowledge that it removes people so far from the real, directly experienceable life. The adherents of some philosophies are hostile not only to science, but to all culture, because both are so far removed from life. Whether they are right about that is none of our business in this context, but scientifically they can never be “right”. Their objection to science cannot be scientific. All science is necessarily something that goes against bare life as an immediately experienceable reality. He who seeks truth does not stop at life as it is lived, even if he practices the intuitive metaphysics of life or some other science.” (Allerdings ist gewiß nicht ausgemacht, daß das theoretische Verhalten das wertvollste von allen und dementsprechend die Wissenschaft das höchste Kulturgut oder gar das höchste Gut überhaupt sei. Vielleicht ist es ein “Einwand” gegen die Wissenschaft, daß sie den Menschen so weit vom lebendigen und unmittelbar realen Leben entfernt. Die Anhänger mancher Lebensphilosophie sind nicht nur der Wissenschaft, sondern allerKultur wegen ihrer Lebensferne feindlich gesinnt. Aber ob sie recht haben, geht uns in diesem Zusammenhänge nichts an, denn wissenschaftlich könne sie nie “recht” haben. Wissenschaftlich kann ihr Einwand gegen die Wissenschaft nicht sein. Alle Wissenschaft ist notwendig etwas wider das bloße Leben in seiner unmittelbaren Realität. Wer nach Wahrheit sucht, bleibt nicht beim lebendigen Leben allein, gleichviel ob er intuitive Lebensmetaphysik oder eine andere Wissenschaft treibt.) Rickert, Die Philosophie des Lebens., 115.
In this essay, Scholten deviates from Rickert in that he rejects his claim to knowledge of a verstehende sociology or history and emphasizes that it is personal reflection through which one becomes aware of the highest goals and the life values ​​that thereby obtain their further interpretation. People can feel related in vision, but even then there will often be differences. People will also often make completely different choices, which leads to fundamentally different philosophies of life. According to Scholten, no historical process of progress of knowledge is possible to achieve greater unity in philosophies of life. It is possible, however, to bring unity to society in concrete issues by reaching beyond one’s own views and entering into compromises. Seeking unity is an ethical task for Scholten and not a theoretical one. Because of the brokenness of the world and the limited possibilities of the people, the search for theoretical unity will always fail. However, this insight into human incapacity makes it possible for people to find each other in concrete terms.
33Nog opzoeken
34Scholten is referring here to the fundamental contradiction between a Gesinnungsethische position and an Erfolgethische position, see endnote 24.
35The moderating effect of a sense of reality as the core of the distinction between theory and practice seems to me to be the core of Scholten’s contribution to legal practice.
36Scholten here gives the reference Huber, ‘Über Die Realien Der Gesetzgebung’.I, 39.
37Scholten notes in the footnote: This view, as Huber rightly points out, has nothing to do with the view that the relationship between reality and law is one of cause and effect.38Scholten states in the footnote that for the Netherlands in this regard, Mr. Van Vlugt must be thought. For his writings, see Mr. W. van der Vlugt’s Most Important Writings.
39Scholten refers in a footnote to the deserving dissertation of A.C. Leendertz (1911), De grond van het overheidsgezag in de antirevolutionaire staatsleer’.,(The fundament of public authority in the antirevolutionary (anti the ideas of the French revolution) constitutional theory) and the critical review thereof by B.C. de Savornin Lohman, De grond van het overheidsgezag in de antirevolutionaire staatsleer, door A.C. Leendertz.
40The distinction made here between personal experience and the collective life of a people is important for the distinction between Scholten’s legal and ethical writings (conscience) and his political writings (philosophy of life). Scholten’s Political Writings can be found in Volume 2 of the Collected Writings.
41In General Method, Scholten makes a clear distinction between the formation of law through legislation and the finding of law through case law, between the newness of general rules and the newness of decisions. see block 51.
42It has not been possible to find out where this is in Stammler’s work.
43Nog opzoeken
44It is interesting to compare Scholten’s view on this point with Kelsen’s Grundnorm and Hart’s rule of recognition. Kelsen and Hart tacitly assume the national unity of law. Scholten emphasizes the difference of fundamental opinion that in the formation of law is a continuous issue and must be bridged. Political leadership is therefore an ethical task towards its own supporters and towards other groups.
45Scholten speaks of true religious tolerance (ware vrijzinnigheid), which raises the question of what false religious tolerance is in the eyes of Scholten. The entry Vrijzinnig Protestantisme in Wikipedia contains a description of liberal/modern versus orthodox Protestantism and does not indicate the distinction between two forms of religious tolerance. The Dutch version contains however a reference to the entry liberal Christianity in the English version of Wikipedia: Liberal Christianity, also known as liberal theology, is a movement that interprets and reforms Christian teaching by taking into consideration modern knowledge, science and ethics. It emphasizes the importance of reason and experience about doctrinal authority. The last sentence shows that this view derives from reason and perception a criterion of truth. The essay Law and Philosophy of Life shows that Scholten rejects such a positivist position. Block 59 of this essay shows that Scholten blames such a positivist attitude on the orthodoxy of scripture and church. Based on the context in which the words ‘true religious tolerance’ (ware vrijzinnigheid) are used, the conclusion can be drawn that a distinction can also be made in the liberal faction of Protestantism according to Scholten between a positivist false approach and a non-positivist true approach. In the false religious tolerance, in his view, the views of dissenters are framed as contrary to reason and perception, thus preventing those views from becoming properly appreciated in their own non-positivist terms.
46Lessing’s Nathan the Wise answers the sultan’s question “Which religion is best: Judaism, Christianity or Islam?” with a story: Once upon a time there was a king who possessed a ring with a wonderful power. The ring makes its wearer a good and wise person, loved by God and by people. He has three sons who are all equally dear to him. To whom should he entrust the ring? He has two rings made by a goldsmith and each gives his sons an apparently identical ring. After their father’s death, the brothers still want to know who has the real ring. They go to court. The judge said no one knew which was the real ring and ordered them to live as if their ring was the real one. The sultan says, “So, if I understand correctly, Jews, Christians and Muslims have to prove for themselves that their religion is the right one through acts of goodness and peace?” “Exactly,” Nathan says. See Lessing and Taylor, Nathan the Wise.
47The school struggle was about whether the public school should be neutral or could be organized according to denomination. The parties referred to by Scholten as “right” (initially led by Groen van Prinsterer) were in favor of organizing the public school according to denomination. It is important to note that a significant part of the orthodox Protestant camp was in favor of the neutral public school, so that through their association with the liberals this became the legal basis in the Netherlands. The law did offer however the option of setting up special schools with private funding. As the design requirements of schools became more stringent, private financing became more and more of a problem and this fueled the school struggle again. A Protestant political party (the first political party in the Netherlands) was founded under the leadership of Abraham Kuyper. A compromise was developed from a liberal angle in seeking the necessary two-thirds support for a constitutional amendment in 1887 for an extension of the right to vote. The compromise consisted of a reinterpretation of the Education Act of 1878 with regard to the regulation of government funding for public education: the fact that in the law funding was regulated only for public education did not mean that special schools could not receive funding. Before this had been interpreted differently by the liberals who were in the majority. Because the first elections after this constitutional amendment led to a large majority of Catholics and Protestants, in 1889 the primary education law was able to establish legal equality between public and private schools. This did not mean equal treatment. Equal treatment was established in 1917 in the same Constitution that also established universal suffrage. Data taken from Boekholt and Booy, Geschiedenis van de school in Nederland. Scholten, who was a supporter of the idea of ​​the neutral public school, tried to realize his ideal as co-founder of the Amsterdam Lyceum, which although a special school was open to all denominations.
48Cicero and Miller, Cicero De Officiis, with an English Translation.,1. 10. 33.;Stammler, The Theory of Justice., chapter 1, 3.
49New religiosity seems to align with Novalis’s aspirations. See endnote 29. With what is stated in no. 182 about sin, Novalis focuses on the discussion about it, which is often avoided as much as possible because it is such a bone of contention. This also seems to indicate the close connection with the problem of finding applicable law.

Back to top

Site owned by Huppes-Cluysenaer and developed by Woovar